Vlaams-Nederlandse samenwerking

DEN HAAG, 11 juli Vlaanderen en Nederland moeten in cultureel opzicht nauwer gaan samenwerken. Een speciaal comite gaat zich buigen over de vraag hoe dat in praktijk gebracht kan worden. Begin mei ontstond beroering in de Vlaamse gemeenschap, nadat de Nederlandse minister van cultuur d'Ancona op het 40ste Algemeen-Nederlands Congres te Brussel bij monde van een ambtenaar had laten weten dat Nederland en Vlaanderen niet tot dezelfde culturele gemeenschap behoren, maar slechts tot dezelfde 'taalgemeenschap'. De Vlaamse minister van cultuur Patrick Dewael noemde dit denkbeeld 'verontrustend' ; d'Ancona zou het bestaande Taalunieverdrag tussen Nederland en Vlaanderen 'beperkend en pietluttig interpreteren'.

In een antwoord op Nederlandse Kamervragen zei d'Ancona dat zij Nederland en Vlaanderen ziet als 'twee verschillende subculturen die als culturele eenheid moeten optreden'.

Het beleid moet volgens haar niet worden gericht op het ongedaan maken van de verschillen tussen de subculturen.

Het nieuwe comite moet 'de doelstellingen, het werkterrein, de werkwijze en de werkingssfeer van het cultureel verdrag tussen Nederland en Belgie' bestuderen. Het verdrag over de culturele samenwerking met Belgie dateert van 1946 en betreft podiumkunsten, 'taal' vertalingen in het Nederlands, bezetting van leerstoelen Nederlands in het buitenland en samenwerking op het gebied van onderwijs, wetenschap en welzijn. Het comite van zes personen heeft twee co-voorzitters: de Nederlandse oud-minister dr. C.van der Klaauw en de Belgische oud-ambassadeur J. R. L.vanden Bloock. De twee andere Nederlandse leden zijn prof. dr. J. Sperna Weiland en prof. H.van den Bergh. Namens de Vlaamse gemeenschap nemen aan het comite dee A. Everaert en W. Lerouge, oud-directeur van het Vlaams Cultureel Centrum 'De Brakke Grond' in Amsterdam.