TE VOET; De ruimte

Het is zondagmorgen vroeg en stil en koud in Monschau. Maar wie vanuit het dal van de Rur omhoog klimt wordt snel warm. Langs de kolossale en zeer, zeer nette huizen van Mutzenich lopen we naar de bosrand in het noordwesten, waar Belgie begint. Voorbij het bos ligt de Pilgerweg, die dwars door het Steinley Venn voert. Het is alsof je je op het dak van de wereld begeeft, oneindige vlakten omringd door dennen.

Ooit besloegen de venen in het Duits-Belgische grensgebied een oppervlak van twaalfduizend hectare. Daarvan resteren er, na de bebossing in de Pruisische tijd, nog ruim vierduizend. Helaas gaat de bebossing nog steeds door: in het Nahtsief Venn, iets verder richting Eupen, zijn dennenplanters zo te zien recent nog in de weer geweest. De den doet niet alleen de veenvlakten verdwijnen, maar verdrijft ook andere bomen: de eik, de beuk en de linde. En waarom? Voor die paar centen? Na de storm zal het rendement in ieder geval flink zijn gezakt.

Een nijvere wachter, vergezeld van een rode brandweerwagen-klassiek-model, weerhoudt ons van een verdere doorkruising van het veen. We maken een omtrekkende beweging langs de Eschbach, langs de rand van het bos, een prachtig pad overigens. Het einde van de tocht lijkt nog niet in zicht, maar het weer betrekt.

Een lange, kronkelende asfaltweg daalt geleidelijk door een dicht dennenwoud dat ook hier zwaar onder de stormkracht heeft geleden af naar het Meer van Eupen. We worden nu geteisterd door regen en sneeuw en bovendien kost het moeite het juiste pad te vinden. De horeca-gelegenheid bij de stuwdam in de Weser is dan ook buitengewoon welkom.

Daarna gaat het op Eupen aan. Langs de achterkant van huizen, werkplaatsen en heuse fabrieken naderen we het centrum van de hoofdstad van Duits Belgie. Een vierdaagse wandeltocht van circa honderd kilometer is ten einde. Conclusie: er is nog ruimte in West-Europa. Vlak over de grens.