Rotterdamse Eigendommen; Huisraad uit een modderig ravijn

Ver voor de Tweede Wereldoorlog leefde in Rotterdam een man die zeker wist dat er op een dag Duitse soldaten voor de deur zouden staan. Niemand kon hem van het tegendeel overtuigen. Hij kende zijn pappenheimers. Hij had jaren geleden al de benen genomen uit het Ruhrgebied, waar hij geboren was. Ze hoefden hem niets wijs te maken. Duitsers willen dichtbij de zee wonen, zei hij, niet alleen tijdens de vakantie, maar alle dagen van het jaar.

Hij had kinderen en een vrouw. Hij had ervaringen met de Ausdauer van zijn landgenoten. Dus toen de eerste tekenen van een vaag onheil hem bezighielden, vond hij het hoog tijd de toekomst voor hemzelf en zijn gezin veilig te stellen. Niet voor een maand of wat, maar voor lange tijd, voor jaren.

Hij kocht etenswaren in; groenten en biscuit in blik, Zuidamerikaanse corned beef, meel, koffie, thee, suiker. Elke week zaten zijn fietstassen vol. Zijn vrouw merkte er niets van in de keuken. De hele voorraad verdween onmiddellijk naar zolder. Zijn kinderen hoorden hem hijgen op de trap. Het begon met een keurig stapeltje in een hoek, achter het gordijn van een kledingkast. In 1939 was de achterkamer van de zolder tot de nok volgestouwd met voedsel voor de barre jaren die in aantocht waren. Zijn collega's vonden hem inhalig en achterdochtig. Zijn vrouw vroeg zich af of de houten vloer zo veel voedsel wel zou kunnen torsen. Hij knikte, hij was een man van weinig woorden.

Tijdens de branden na het bombardement, toen de grachten voorgoed gedempt werden, was er geen woonhuis in het centrum van Rotterdam dat zo lang smeulde als het huis van die voormalige Duitser. Later maakte hij er nog wel eens grapjes over gebrande koffie en zo , maar tijdens de brand heeft hij iets anders gedacht. Dat is zeker.

Hij en zijn familie zijn de vijf oorlogsjaren doorgekomen. In dezelfde laan konden andere gezinnen de bommen en de branden niet navertellen. Dan zeur je niet over een verdwenen voorraad groenten en corned beef, en ook niet over een verloren postzegelverzameling, waarvan in de verre omtrek geen equivalent te vinden was. Nee, die verhalen bewaar je voor later, voor je kleinkinderen, die af en toe nog eens door die laan rijden en zich dan afvragen waar dat ene huis nu precies gestaan heeft.

In Rotterdam is veel, veel te veel verdwenen. Dit jaar, vijftig jaar na het bombardement, mochten oudere inwoners hun herinneringen nog eens ophalen voor televisie-camera's en dagbladjournalisten. Het ging vaak over de gezelligheid van vroeger. Hele straten en stegen zinderden van vriendschap. Iedereen hielp iedereen, altijd. In de havens, middenin de stad, heerste de drukte van ronkende boten, dronken waterklerken en blonde Nellie's. Er ging geen dag voorbij of de zon weerkaatste in het havenwater, en dan leek het net of er engelenhaar op de golven dreef. Zo mooi zal het niet geweest zijn. Misschien was het er een beetje mooi, zoals Signac destijds de Maashaven schilderde, met al die stoom van die zware, zwarte slepers die als badbootjes op het water dobberden. Of zoals de riviergezichten van De Jongere, Mastenbroek en Adolf, die het Vendu Notarishuis deze week veilt. Maar in diezelfde havens liet een kraan ook wel eens een hijs vallen. Die kwam dan toevallig op het hoofd van een lastige, eigenlijk een onuitstaanbare collega terecht. Fatale ongelukken, waar iedereen het zwijgen toe deed. Na het bombardement, bij het puinruimen en bij de eerste demonstraties van bouwijver, kwamen uit beerputten eeuwenoude pispotten en kookpannen te voorschijn, tinnen lepels, haarspelden, glaswerk. De bouwvakkers zetten hun aardewerken vondsten neer op muurtjes en trottoirs, om ze daarna met een dreun in gruzelementen te slaan. Verzamelaars betaalden een piek, desnoods een riks, om de potten en niet de scherven in handen te krijgen. Begin volgend jaar zullen in het nieuwe paviljoen in Museum Boymans-van Beuningen delen van die 'oorlogsbuit' permanent te zien zijn.

Vijftig jaar en honderden bouwputten later wordt de stad opnieuw ontwricht. Jarenlang opengereten wegen en straten, hei-installaties, stofwolken en herrie voor het graven van een drie kilometer lange, twintig meter brede sleuf: de Spoortunnel onder de Nieuwe Maas. Vertrouwde cafe's liggen ineens uit de route, naast de pui gaapt een ravijn met buizen en grondwater. De klandizie laat het afweten. De grote markt onder het lange treinviaduct, een dreunend afdak soms, is verhuisd naar een brede winkelstraat. Het verkeer stagneert er en de marktlieden van toen zijn onvindbaar. Alledaags gedoe, waar overheden natuurlijk niet bij stil kunnen staan.

In een van die bouwputten, midden in de oude stadskern vlak bij de Sint-Laurenskerk, komen nu opnieuw, net als vijftig jaar geleden, verdwenen bezittingen te voorschijn. Geen goud of zilver, maar alweer alledaags vaatwerk, een veertiende-eeuwse schoen, een zestiende-eeuwse vilten hoed, metalen gereedschappen, en duizenden, duizenden scherven, van de Romeinse en de Karolingische tijd via de middeleeuwen tot bijna-complete 'puntneuskruikjes' uit de zestiende eeuw.

Zelfs op zaterdagen staan archeologen en hun collega-amateurs tot hun kuiten in de blubber. Ze schrapen zwarte modder weg tussen half vergane boomstammen, de palen van een veertiende-eeuwse brug over de Rotte. Langzaam maar zeker verdwijnt de topografische duisternis van het middeleeuwse Rotterdam. De restanten zijn geconserveerd dankzij dikke veenlagen. Als in 1994 de Spoortunnel gereed is, zal het verleden van Rotterdam pas echt verdwenen zijn, zegt archeoloog A. Guiran van het Gemeentelijk Bureau Oudheidkundig Onderzoek. Samen met twee collega's en een tiental tekenaars en amateur-archeologen pluist hij de stadsbodem uit, nu het nog kan. Het karwei is al bijna geklaard. De Nederlandse Spoorwegen, opdrachtgever van de tunnel, en de aannemers hebben de archeologen geen strobreed in de weg gelegd. En dat is uitzonderlijk, want bij een achthonderd miljoen gulden verslindend project als deze tunnel kost elk oponthoud een vermogen.

Straks liggen de resultaten van het graven in het gemeentelijk depot. Er zullen tentoonstellingen worden samengesteld en er zal nog veel oudheidkundig onderzoek worden verricht. Pal in het centrum zal er een brok van de veertiende-eeuwse stadsmuur permanent te zien zijn. Het ligt ook in de bedoeling om de ijzeren overkapping van het station Blaak een bestemming te geven op de markt, als kolossale bloemenkraam bijvoorbeeld. Terwijl ondergrondse vondsten een plaats krijgen in het museum, zal boven de grond opnieuw een deel van Rotterdam verdwijnen. Het spoorwegtrace, dat, grotendeels verankerd op pijlers, al ruim een eeuw door de stad slingert, zal worden afgebroken. En daar zijn enkele kunstenaars en architecten het niet mee eens. Ze hebben al een paar toekomstige functies bedacht: een wandelpromenade met overkapping bijvoorbeeld, zodat je hoog en droog, van west naar oost en vice versa kan slenteren. Als het gemeentebestuur dat te duur vindt, moet deze ijzeren aorta maar geschikt worden gemaakt voor planten en boompjes, zodat er straks hoog boven het stadscentrum een groengordijn wappert.