Overzicht Magnum is tevens ontmaskering der fotografie

ARLES, 11 juli Maandag is in de Arbeidsbeurs een belangrijke tentoonstelling van deze Rencontres Internationales de la Photographie geopend: een selectie uit het werk van de fotografengroep Magnum, gedurende de afgelopen vijfenveertig jaar gemaakt in wat nu de voormalige socialistische wereld is. Een uitstekende plaats, deze Bourse du Travail waarvan het interieur me sterk deed denken aan een politiebureau in Warschau dat ik een jaar of vier geleden noodgedwongen van binnen heb bestudeerd. De onverbiddelijke administratieve kaalheid, de uitgesleten trappen, het gebarsten stucwerk, lucht van lysol en zowaar een sociaal-realistische wandschildering, het kwam me allemaal onverwacht bekend voor.

Na 1989 en de voortgezette omwenteling zou het wel een wonder zijn als de politieke fotografie hier geen belangrijke plaats had gekregen. Maar het is een verrassing, het is een prijzend woord waard dat de deelgenoten in Magnum het niet bij de vertoning van hun recente werk hebben gelaten. Het historisch overzicht maakt duidelijk dat niet alleen de toestanden in het Oosten zijn veranderd, maar ook de manier waarop menig westers camera wordt gehanteerd.

Voor 1956, het jaar van de Hongaarse opstand, wordt er achter het IJzeren Gordijn nog overwegend gehooid en geoogst door gezonde boeren en boerinnen. Het is de Wij-Mensen-blik van Cartier-Bresson die toen school maakte: de opvatting dat er onnoemelijk veel moois in de wereld is en dat je bij het kijken naar het socialisme in opbouw je niet moet laten leiden door kapitalistische of imperialistische vooroordelen. Nee, integendeel. Het is jammer dat er niets hangt uit de reportages die Cartier-Bresson omstreeks die tijd in een badplaats aan de Zwarte Zee heeft gemaakt en die nog in Life hebben gestaan. Wel is er een foto van een aantal doorvoede Hongaarse mannen die, tot hun nek in het geneeskrachtige water, met het schaakspel bezig zijn. Wie er meer van wil weten, moet er W. F. Hermans op nalezen, het stukje dat hij in Mandarijnen op zwavelzuur aan Theun de Vries heeft gewijd.

In deze vorm van fotografie valt een aantal fasen te onderscheiden. De eerste wordt gemarkeerd door 1956, het verbranden van stalinistische lectuur in Boedapest en de tanks en de lijken op straat. Dan komt 1961, de bouw van de Muur waarbij in deze tentoonstelling de nadruk valt op de scheiding van families die daardoor wordt veroorzaakt. Ten slotte is er de Praagse Lente en de manier waarop daaraan door het Rode Leger een einde is gemaakt. Daarna is de Wij-Mensen-blik definitief verdwenen. In Polen zijn de fotografen van Magnum dan al bezig, het socialisme te ontmaskeren als een systeem dat armoede en terreur produceert. In 1989 levert de politieke optiek geen enkel dilemma meer op.

Ik wil niets ten nadele van de fotografen zeggen als ik beweer dat de ene revolutie energieker blijkt te zijn dan de andere. Praag 1968 levert door de lenzen van Magnum gezien, het meest geconcentreerde drama op. Ook Roemenie in december 1989 heeft een zware dramatische lading. Betekent dit dat er in Boedapest en Warschau minder te fotograferen viel? Ik denk dat de oplossing bij de fotografen zelf moet worden gezocht. Zij zijn veranderd: ze hebben hun denkbeelden over de socialistische wereld gaandeweg gewijzigd en terwijl ze dit deden zijn ze dichter bij hun onderwerp gekomen. Het is, grof gezegd, een simultaanbeweging een zeer verklaarbare die het publiek tot voordeel strekt. De ontmaskering van het socialisme is in de mode, onvermijdelijk. Het werk van Stephane Duroy en Raymond Depardon dat in Arles hangt ik heb het al genoemd is indrukwekkend. Tegelijkertijd wordt in Lausanne een tentoonstelling van werk over hetzelfde grote onderwerp gehouden. Het is, te oordelen naar wat ik gezien heb en erover lees, samengevat, een grote ontluistering van de voormalige heilstaten. Maar in het historisch overzicht van Magnum is het ook een zijdelingse ontmaskering van de fotografie zelf. Het kijken door een zoeker en het vastleggen van de werkelijkheid via een objectief geeft evenmin de garantie van objectiviteit als de schrijfmachine. De foto en het woord zijn aan elkaar gewaagd als het erop aankomt, de werkelijkheid weer te geven. In de context van 'Wij Mensen' zijn ze instrumenten van gesluierde corruptie geweest, hoe esthetisch en ethisch de motieven toen ook waren. Weer was het 'savonds in het amfitheater de beurt aan een krant om zijn kleurenbijlage te vertonen: Sette van de Corriere della Serra. Opnieuw alles wat de moderne wereldpot ons schaft, deze keer begeleid door gezang van Paolo Conte. Natuurlijk: het is de plicht van iedere bewuste burger, te weten wat er voor ellende te koop is, en het is goed dat zo'n zondagsblad maar een paar centjes kost, want waar zou het anders heen moeten met onze bewustwording? Foto's dragen bij tot de Fundamentaldemokratisierung maar behalve dat tot de winst van het blad dat ze afdrukt. Ook dat is niet bij voorbaat verwerpelijk, en zou het dit wel zijn dan was het nog onvermijdelijk. Maar er is een grens tussen het tonen van een foto om te laten zien wat er aan de hand is en het publiek ermee overweldigen.

In Nederland zijn we bescheiden, ook in onze 'publieksbladen'. Uit de presentaties van El Mundo en Sette op dat gigantische projectiedoek wordt het duidelijk dat foto's niet alleen passief zijn om naar gekeken te worden maar dat ze je ook kunnen toebrullen. Ik veronderstel dat brullende foto's lucratiever zijn dan de andere die gewoon stil op de pagina blijven liggen. Ook begon ik te vermoeden dat er een bepaalde hoek is waaronder je op het ogenblik een stervende het best kunt fotograferen. Het best is het als je de patient op een lage brits in de hoek van de kamer hebt terwijl hij, de benen opgetrokken, onder een laken ligt. Ben je de fotograaf dan ga je aan de andere kant in de verste hoek staan en je houdt de camera zo hoog mogelijk. Dit geeft de compositie van de diagonaal die op het ogenblik het meest in zwang is.

De avondvoorstelling bevatte verder een hommage aan de Parijse couturier Patrick Kelly die op 1 januari van dit jaar is verdwenen en van wie alle persberichten melden dat hij zwart was. Dit fotografisch eerbetoon werd begeleid door een zangeres aan de vleugel. Dat was ontroerend. Kelly is iemand geweest die zich graag liet fotograferen, zodat er van deze levenslustige jonge man een biografie in beelden kon worden samengesteld. Niet veel verstand van mode hebbend kan ik alleen zeggen dat de vrouwen die hij heeft aangekleed er prachtig en vrolijk uitzagen. Valt een couturier meer lof toe te zwaaien?