Kabinet beperkt uitkering nabestaanden

DEN HAAG, 11 juli Het kabinet heeft besloten weduwen en weduwnaars voortaan slechts voor de duur van een jaar het recht te geven op een nabestaandenpensioen. Op dit moment krijgt de nabestaande tot zijn 65ste jaar een uitkering op basis van de Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW). De uitkering in het eerste jaar na het overlijden van de partner gaat met tien procent omlaag.

Het kabinet is gisteren akkoord gegaan met het voorstel van staatssecretaris Ter Veld van sociale zaken om de huidige Algemene Weduwen- en Wezenwet (AWW) te veranderen in een nieuwe Algemene Nabestaandenwet. Aanleiding voor de wetswijziging is de eis dat mannen en vrouwen gelijk worden behandeld. De uit 1959 stammende AWW was oorspronkelijk bedoeld voor vrouwen die na het overlijden van hun echtgenoot achterbleven zonder bron van inkomsten. Toen twee jaar geleden in het kader van de gelijkberechtiging ook weduwnaars recht kregen op een AWW-uitkering stegen de uitgaven dermate, dat oud-staatssecretaris De Graaf besloot tot de wetswijziging. De AWW-uitkering wordt nu betaald door de werknemers, maar zal binnenkort door de overheid uit belastingmiddelen worden gefinancierd. De nieuwe wet betekent daardoor een bezuiniging, maar om welk bedrag het gaat kan het ministerie van sociale zaken niet aangeven. Ook is niet duidelijk of de bezuiniging wordt vertaald in een lager belastingtarief.

Volgens het wetsvoorstel van Ter Veld krijgen alle nabestaanden, ongeacht het eigen inkomen, het eerste jaar na het overlijden van de partner recht op een uitkering die 90 procent van het minimumloon bedraagt. De AWW-uitkering is nu gelijk aan het minimumloon. Na het eerste jaar vervalt het recht op de nabestaandenuitkering. Het kabinet maakt echter vier uitzonderingen op deze regel.

Een weduwe of weduwnaar met kinderen onder de 18 jaar behoudt het recht op een uitkering. Dat recht vervalt op het moment dat het jongste kind 18 jaar wordt, tenzij de alleenstaande ouder dan de leeftijd van 45 jaar heeft bereikt. Ook de nabestaande die arbeidsongeschikt is of ouder dan 50 jaar, behoudt het recht op een uitkering. Voor deze groepen verandert de hoogte van de uitkering wel ten opzichte van het eerste jaar. Een nabestaande met kinderen krijgt 50 procent van het minimumloon, ongeacht het eigen inkomen. Afhankelijk van het eigen salaris of het pensioen van de overleden partner kan daar nog maximaal 40 procent bovenop komen. Zonder eigen inkomen is voor deze nabestaande de uitkering dus 90 procent van het minimumloon. Voor een alleenstaande die onder de uitzonderingsregels valt, bedraagt het bedrag onafhankelijk van het eigen inkomen dertig procent van het minimumloon. Als er geheel geen eigen inkomen is, kan dat oplopen tot zeventig procent van het minimumloon.

Een nabestaande van bijvoorbeeld veertig jaar die kinderloos is en daardoor na een jaar het recht op een nabestaande-uitkering verliest, maar geen inkomen heeft uit werk of uit een pensioen van de overleden partner, kan aankloppen bij de sociale dienst. Daar zal worden bepaald of de weduwe of weduwnaar een uitkering op minimumniveau krijgt uit hoofde van de Algemene Bijstandswet dan wel het recht krijgt op een RWW-uitkering. De hoogte van de uitkeringen verschilt niet, allebei zeventig procent van het minimumloon, maar bij de bijstandwet hoort niet de plicht werk te gaan zoeken. Een weduwe of weduwnaar die in de RWW komt, krijgt een sollicitatieplicht opgelegd.

Het kabinet is gisteren ook akkoord gegaan met het voorstel van Ter Veld om de werkloosheidsuitkering van schoolverlaters van 21 jaar tot 27 jaar te verlagen. Gedurende het eerste half na het verlaten van de opleiding krijgt deze groep schoolverlaters voortaan een uitkering die gelijk is aan het bedrag dat studenten geacht worden nodig te hebben voor de noodzakelijke kosten van het levensonderhoud. Dat is 783,06 gulden per maand voor een alleenstaande die niet meer bij zijn ouders woont. Een 21-jarige krijgt nu nog een uitkering van ruim 830 gulden per maand en een werkloze schoolverlater die ouder is dan 23 jaar ontvangt maandelijks een bedrag van ruim 1120 gulden.

Een schoolverlater die jonger is dan 21 jaar heeft geen recht op een uitkering. De eerste zes maanden na zijn opleiding hebben zijn ouders nog wel recht op kinderbijslag. Alleen jongeren die kunnen aantonen al een jaar lang zelfstandig te wonen kunnen aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering. De thuiswonende schoolverlater mag wel meer gaan bijverdienen dan nu het geval is. Voor een 19-jarige wordt het bedrag bijna verdubbeld van 56 gulden per maand tot 104 gulden.

Deze ingrepen in de werkloosheidsuitkeringen van jongeren hangen samen met het voornemen van dit kabinet om jongeren die langer dan een half jaar werkloos zijn de garantie te geven op een baan. Het wetsvoorstel voor het zogenoemde Jeugdwerkgarantieplan (JWG) ligt al voor behandeling bij de Tweede Kamer. Bij het aantreden van het CDA/PvdA-kabinet is afgesproken dat er voor jongeren een 'sluitende aanpak' moet komen, waardoor zij niet langer dan een half jaar werkloos kunnen zijn. Na dat half jaar krijgen ze een baan aangeboden of de mogelijkheid zich verder te scholen, waardoor ze een loon danwel een studiebeurs gaan ontvangen. Bij weigering krijgen ze een sanctie opgelegd. Over de zwaarte daarvan verschillen CDA en PvdA nog van mening.