JAPANS INDUSTRIELE AMBITIES IN DE LUCHT

Plan voor bouw eigen vliegtuig maakt Amerikanen nerveus

Het plan van Japan om op eigen houtje gevechtsvliegtuigen te bouwen, heeft voor grote spanningen gezorgd met de VS. Niet militaire maar handelspolitieke argumenten overheersen de discussie. Inmiddels is een compromis gesloten, maar voor de VS (en Europa) blijft de angstige vraag: gaat Japan nu ook de internationale luchtvaartindustrie overvleugelen? Japan begint stellingen in gereedheid te brengen om het laatst overgebleven bolwerk van de Amerikaanse industrie, de vliegtuigbouw, te slechten. De achterstand die Japan moet inhalen voordat Mitsubishi zich als vliegtuigbouwer kan meten met Boeing is enorm. Maar dat was ook het geval toen Toyota zestig jaar geleden auto's begon te bouwen en Minolta camera's ging maken, toen Fujitsu zich in de zeventiger jaren aan het ontwerpen van chips zette of toen NEC in 1983 supercomputers ging fabriceren. Bovendien, wat het bouwen van goede vliegtuigen betreft: vijftig jaar geleden konden de Japanners het ook, zo merkt een woordvoerder van het Japanse overheidsbureau voor defensie fijntjes op.

Een halve eeuw nadat Japan de wereld verraste door de VS aan te vallen met wat de modernste gevechtsvliegtuigen van die tijd bleken, de Zero fighters, komt er een opvolger voor Japans trots van toen in de lucht: de FSX, een gevechtsvliegtuig dat zal worden gebouwd op basis van de Amerikaanse F-16 van General Dynamics. Het liefst zouden de Japanners de FSX helemaal in eigen beheer ontwikkelen en produceren, maar daar hebben de verontruste Amerikanen een stokje voor gestoken. Na langdurige en uiterst moeizame onderhandelingen werd begin dit jaar overeengekomen dat Amerikaanse ingenieurs zullen worden betrokken bij de ontwikkeling van de FSX en dat General Dynamics als volwaardige onderaannemer zal optreden bij het project dat onder leiding staat van Mitsubishi.

Het nieuwe Japanse gevechtsvliegtuig - waarvoor 165 miljard yen (ongeveer twee miljard gulden) aan ontwikkelingsgeld is uitgetrokken en dat over zeven jaar produktierijp moet zijn - zal binnen vijfhonderd meter kunnen opstijgen. Het blijft onopgemerkt voor radar dankzij een coating die radargolven kan absorberen, zoals ook het geval is bij de Amerikaanse Stealth bommenwerper. Door toepassing van zogenoemde composieten zijn de vleugels lichter en eenvoudiger te fabriceren dan van de F-16. Van binnen komt de FSX vol geavanceerde techniek die de wendbaarheid van het toestel vergroot en het vermogen verbetert tegelijkertijd verschillende lucht- en gronddoelen te volgen.

Volgens het Japanse bureau van defensie is deze FSX onmisbaar is in het militair strategische beleid van Japan voor de volgende eeuw. Maar de komst van FSX past - tot grote bezorgdheid van de Verenigde Staten - ook wonderwel in de strategische visie van MITI, het invloedrijke Japanse ministerie voor internationale handel en industrie. 'Als bepaalde technologie van vitaal belang is voor de veiligheid van de economie van een land', zo stelt het MITI zonneklaar, 'dan is de overheid van dat land genoodzaakt maatregelen te nemen opdat zijn bedrijven concurrerend worden om zo de veiligheid van de economie van het land te verzekeren'. De vliegtuigindustrie is dan ook zo'n sector die bij uitstek kan rekenen op warme belangstelling en steun van MITI. De luchtvaartindustrie stimuleert immers technologische ontwikkeling, levert veel bijprodukten op, voedt een uitgebreide toeleveringsindustrie, draagt bij aan de Japanse autonomie en verhoogt de status van Japan in de wereld.

De Japanse luchtvaartindustrie is nu nog bescheiden van omvang en heeft bovendien een overwegend militair karakter. Vorig jaar bedroeg de totale omzet van Japanse luchtvaartindustrie ongeveer negen miljard gulden, drie keer zoveel als de Nederlandse vliegtuigbouwer Fokker in zijn eentje. Tachtig procent van die omzet betreft militaire produktie voor eigen gebruik. Afgezien van een paar oefentoestellen gaat het om het bouwen van Amerikaanse gevechtsvliegtuigen (als de F-1 in het verleden en de F-15) in licentie. Volgens de naoorlogse grondwet, in grote lijnen door de Amerikaanse bezetting gedicteerd, mag Japan geen militaire goederen exporteren.

Ook in de civiele luchtvaartsector ging het tot voor kort uitsluitend om produktie in licentie, en dan nog alleen maar om de vervaardiging van onderdelen voor Amerikaanse Boeings en om werk als onderaannemer voor McDonnell Douglas. Maar de afgelopen jaren is daar een aantal joint ventures bijgekomen. Zo hebben Kawasaki en het Duitse Messerschmitt plannen bekend gemaakt om samen helicopters te bouwen. Japanse bedrijven - die regelmatig missies uitzenden - praten op het ogenblik met Europese en Amerikaanse collega's over mogelijkheden om te participeren bij de ontwikkeling van een nieuw supersonisch vliegtuig als opvolger van de Concorde. Een plan om de nieuwe Boeing 777 te ontwikkelen in een joint venture met drie Japanse bedrijven, is echter gestrand. Hoewel MITI het project steunde, werd het door Tokio als te riskant beschouwd wegens de kritiek die zo'n samenwerkingverband met de grootste vliegtuigbouwer in de wereld in de VS zou kunnen uitlokken.

Wantrouwen

De gang van zaken bij het FSX-project heeft Tokio duidelijk gemaakt hoezeer in de VS met gemengde gevoelens wordt aangekeken tegen de ambities van Japan in de lucht. Van meet af aan hebben de onderhandelingen over de FSX in het teken gestaan van wederzijds wantrouwen over elkaars diepere bedoelingen. Daarbij werd over en weer de indruk gewekt dat het om een militair verschil van inzicht ging tussen twee bondgenoten, maar op de achtergrond speelden handelspolitieke overwegingen een doorslaggevende rol.

De FSX-toestellen moeten in de tweede helft van de jaren negentig de F-1's van de Japanse luchtmacht vervangen. De aankondiging van Japan dat het het nieuwe vliegtuig zelf wilde ontwikkelen, en dus niet langer afhankelijk wilde zijn van Amerikaanse licenties, trof Washington onaangenaam. De VS - die middels het na de oorlog gesloten veiligheidsverdrag de verdediging van Japan op zich hebben genomen - drongen er bij hun bondgenoot op aan om zijn nieuwe generatie gevechtsvliegtuigen kant en klaar te betrekken uit de magazijnen van General Dynamics. Daar staan goede en relatief goedkope F-16's die volgens de Amerikanen uitstekend voldoen aan wat Japan nodig heeft. Het ontwerpen en bouwen van een eigen toestel, zou alleen maar vertraging opleveren. Bovendien zou dat minstens vier keer zo duur uitvallen, iets wat gezien het beperkte defensie-budget van Japan alleen maar als verspilling kan worden beschouwd, aldus het Amerikaanse standpunt.

Maar op de achtergrond speelde vooral de vrees dat Japan, onder de dekmantel van defensiebeleid, bezig was zijn eigen luchtvaartindustrie op poten te zetten, om na verloop van tijd de aanval te kunnen inzetten op Amerika's hoogtechnologische industrie. Net zo goed als achter het Japanse argument voor de ontwikkeling van een eigen toestel - namelijk dat de F-16 in de tweede helft van de jaren negentig verouderd zou zijn - wrevel schuil ging over de Amerikaanse opstelling. De Japanners verdachten op hun beurt de Amerikanen ervan louter het belang van de eigen afzetmarkt op het oog te hebben met het voorstel kant en klare F-16's te kopen.

De discussies over de FSX begonnen in een periode waarin de betrekkingen tussen de VS en Japan op handelspolitiek terrein toch al tot een dieptepunt waren gezakt. Shigeki Nishimura, defensiespecialist van het Internationale Instituut voor Wereldvrede, een 'denktank' die is opgericht door oud-premier Yasuhiro Nakasone, meent dat de FSX-kwestie nooit zo controversieel zou zijn geworden als Japan en de VS ook niet tot over hun oren bij andere handelsgeschillen waren betrokken. 'Japan heeft bepaald niet taktisch gehandeld door de VS te confronteren met plannen voor de zelfstandige ontwikkeling van een gevechtsvliegtuig op een moment dat het Japanse handelsoverschot met de VS de zestig miljard dollar benaderde. De luchtvaartindustrie is de trots van de Amerikaanse hoog technologische industrie en ze is het enige terrein waar de VS geen concurrentie van Japan hebben te duchten.'

Ingenieurs

Maar men kan ook stellen dat Japan zo sterk hecht aan de opbouw van een zelfstandige luchtvaartindustrie, dat het blijkbaar bewust de prijs heeft willen betalen van een verslechtering in de toch al delicate verhouding met de VS. Ook nadat beide partijen in november 1988 een compromis hadden bereikt, en een beginselverklaring werd getekend dat Japan en de VS de FSX gezamenlijk zouden ontwikkelen op basis van de F-16, bleven de schermutselingen voortduren. Tijdens het volgende overleg over de praktische uitwerking, bleek hoe weinig gelukkig beide partijen waren met het compromis.

Japan dacht de handen vrij te hebben als ze de VS maar betaalde voor hun F-16's. De verbouwing van het toestel zouden de Japanse ingenieurs zelf doen. Deze Japanse interpretatie van samenwerking leidde tot grote verontwaardiging in de VS. In het Amerikaanse Congres werd gesproken over 'verkwanseling van F-16 technologie' aan Amerika's industriele vijand. De Amerikaanse industrie wilde deelnemen aan het ontwikkelen van de FSX, een aantal F-16 geheimen moesten buiten de overeenkomst blijven, Japan moest toezeggen dat een deel van de produktie in Amerika zou geschieden en Tokio zou de garantie moeten geven dat Japanse technologie die ten behoeve van de FSX werd ontwikkeld, ook beschikbaar zou zijn voor de Amerikaanse partners.

Die aanvullende eisen waren in Japan een goede aanleiding om eens lucht te geven aan woede over de 'niet aflatende arrogantie' van de Amerikanen. Het extreemste commentaar kwam van Shintaro Ishihara, de nationalistische politicus die in weinig subtiele bewoordingen zijn ideeen al eens uiteen zette in het controversiele boekje 'Japan dat nee kan zeggen'. In het maandblad Bungei Shunju schreef hij een jaar geleden: 'Ingebruikneming van een gevechtsvliegtuig dat Japan zelf heeft gebouwd met zijn eigen geavanceerde technologie, zou Japan absolute autoriteit over zijn eigen luchtruim geven. Daardoor zouden zowel de betekenis als de waarde van het Japans-Amerikaanse veiligheidspact in een ander licht komen te staan. De VS zouden dan niet meer in staat zijn om Japan voortdurend te bevoogden op het gebied van defensie.'

Eigenbelang

Maar ook het toonaangevende landelijke dagblad Nikkei Shimbun uitte zijn ongenoegen: 'De FSX-onderhandelingen hebben aangetoond dat we onze visie op de VS als een welwillende grote broer aan het hoofd van een Westerse alliantie moeten wijzigen. De VS van nu handelen puur uit eigenbelang.' Het 'eigenbelang' van de VS bleek bij voorbeeld uit de wens van General Dynamics om kennis van Mitsubishi op het gebied van zogenoemde composieten, te mogen gebruiken voor andere vliegtuigen. Mitsubishi wilde in dat geval geld zien, wat de VS weigerden. Dit probleem werd 'opgelost' toen het Japanse overheidsbureau voor defensie aanbood om Mitsubishi te betalen voor de technologie-overdracht.

Een ander staaltje van Amerikaans 'eigenbelang' in Japanse ogen was het voorstel om de motoren in de VS te laten maken. Het bureau voor defensie stelde daar tegenover dat in ieder geval een deel van de motoren in Japan moest worden geproduceerd 'omdat anders onzekerheid bestond over de veiligheid van het vliegtuig.' Zestien maanden na het sluiten van de principe-overeenkomst kon afgelopen februari eindelijk de definitieve overeenkomst worden getekend voor gezamenlijke ontwikkeling van de FSX. Als uitvloeisel daarvan heeft General Dynamic eind maart twaalf ingenieurs naar Mitsubishi's laboratorium in Nagoya gestuurd. Behalve Mitsubishi en General Dynamic zijn ook het Japanse Fuji en Kawasaki direct bij het FSX-project betrokken. Overeengekomen is dat alle partners in vrijheid kunnen beschikken over alle technologie die in de FSX wordt toegepast. Over de verdeling van de uiteindelijke produktie-werkzaamheden zal pas over een jaar of vijf, zes worden onderhandeld als de ontwikkelingsfase van het toestel ten einde loopt.

Voorlopig denken beide partijen met weinig vreugde terug aan hun 'samenwerking' tot dusver. Asahi Shimbun, de progressiefste krant van Japan, leverde eerder dit jaar als commentaar dat de concessies die Japan in de FSX kwestie heeft moeten doen 'een bittere les' zijn voor Japans beleidsmakers.

En een militair attache van de Amerikaanse ambassade in Tokio concludeert dat het Amerikaans-Japanse veiligheidsverdrag niet is berekent op dit soort handelspolitieke conflicten op defensie-gebied. 'Wij zijn verplicht rekening te houden met Japan, terwijl Japan zijn gang maar kan gaan. We moeten op onze knietjes smeken of ze hun kennis niet met ons willen delen. Zoals in het geval van die FSX ontkom je zo nu en dan niet aan het idee dat er iets helemaal is scheefgegroeid. Maar als je dan weer terugdenkt aan de oorlog, dan is de deal die we nu hebben, de beste die we hadden kunnen sluiten.'

    • Elbrich Fennema