GELEID DOOR EEN ONZICHTBARE HAND

Kapitalist Adam Smith was helemaal geen vijand van de staat Twee honderd jaar geleden, op 17 juli 1790, overleed de vader van de klassieke economie: Adam Smith. Voor velen is hij de held van de kapitalistische wereld, maar ten onrechte wordt zijn theorie van de onzichtbare, sturende hand in de samenleving vaak beschouwd als een intellectuele verdediging van het principe van laissez faire. Smiths biograaf Skinner probeert dat misverstand recht te zetten, terwijl in Smiths geboorteplaats Kirkcaldy juwelier Barclay de drommen toeristen opwacht met stropdassen, glazen en beeldjes.

Nu de illusies over Marx zijn verdwenen en in Moskou meer mensen in de rij staan voor hamburgers dan voor Lenins graftombe, groeit in het oosten van Europa de nieuwsgierigheid naar een andere held. Die van de kapitalistische wereld: Adam Smith. De Schotse editie van de Wealth of Nations wordt in het Russisch vertaald en volgende week trekken verschillende Oosteuropese economen naar de oude koningsstad Edinburgh om samen met negen Nobelprijswinnaars in de economische wetenschap de sterfdag te herdenken van de vader van de klassieke economie. 'Adam Smith wordt weer populair. In de voormalige communistische wereld, maar ook in Europa', zegt een van zijn biografen, Andrew Skinner, hoogleraar politieke economie aan de universiteit van Glasgow. Alleen bestaan over de ideeen van Adam Smith veel misverstanden, vindt Skinner.

De laissez faire-extremisten hebben Smith 'gekaapt'. 'Rechts heeft Adam Smith geclaimd. Dat betreur ik', zegt de Schotse professor. De achttiende eeuwse wijsgeer wordt afgeschilderd als de uitvinder van de vrije markt die in een one-for-all maatschappij niets van staatsinterventie wilde weten. Maar Smith is volgens Skinner niet zomaar in het 'rechtse' kamp in te delen. Dat geeft een veel te eenzijdig beeld van deze econoom, die eerder een filosoof was. 'Smith wordt vaak verkeerd begrepen. Het is misleidend Adam Smith uitsluitend als free marketeer te beschouwen. Adam Smith zou in de huidige tijd veel dichter bij Keynes staan.' Wie was deze man, die sommigen in Oost-Europa als nieuwe profeet van economisch herstel zien en die in het Westen onbeschaamd is uitgeroepen tot winnaar van de wedloop tussen liberalisme en socialisme? Een verstrooide professor wiens grapjes net zo onzichtbaar zijn als zijn beroemde hand. 'Het enige mooie wat er aan mij te zien is, zijn mijn boeken', moet hij eens gezegd hebben toen hij een bezoeker trots zijn bibliotheek met drieduizend titels toonde. Knap van uiterlijk was hij inderdaad niet. Hij had, zo beschreef de Amerikaanse econoom Robert Heilbroner hem eens, een vooruitstekende onderkaak, een geweldige haviksneus en bolle ogen onder zware oogleden. Zijn leven lang leed Smith aan nerveuze aandoeningen waardoor zijn hoofd schokte en hij hakkelend en onduidelijk sprak. Misschien bleef hij daardoor vrijgezel.

In de jaren na 1780, toen Smith bijna zestig was, konden zijn stadsgenoten in Edinburgh hun beroemde medeburger elke avond voorbij zien komen, gekleed in een lichte jas, een pofbroek, witte zijden kousen, schoenen met gespen, een platte breedgerande hoed en een wandelstok, met een afwezige blik in de ogen en zijn lippen bewegend in een geluidloos gesprek. Om de twee of drie stappen aarzelde Smith of hij van richting zou veranderen.

Er deden allerlei anekdotes de ronde over zijn verstrooidheid. Eens liep hij 's morgens de tuin in, waar hij zo in gedachten verzonken raakte dat hij enkele uren later ontdekte dat zijn omzwervingen hem - in zijn ochtendjas - naar de stad hadden gevoerd. Een andere keer ging hij zo op in het gesprek met een vriend dat hij tijdens de wandeling in een teerton viel.

Deze verstrooide professor werd in 1723 geboren in het vissersdorpje Kirkcaldy, aan de oostkust van Schotland. Een dorp dat destijds 1.500 zielen telde, nu 50.000. Sommige bewoners gebruikten in het onderlinge verkeer nog spijkers in plaats van geld. Adams moeder Margaret Douglas was de dochter van een welgestelde landheer, zijn vader Adam Smith was een douanecontroleur. Adam junior heeft hem nooit gekend omdat hij enkele maanden voor zijn geboorte overleed.

Toen hij vier was, gebeurde er iets merkwaardigs. Smith verdween plotseling en bleek te zijn ontvoerd door een groep zwervende zigeuners. Toen een klopjacht werd ingezet, lieten ze de kleuter langs de kant van de weg achter. 'Hij zou waarschijnlijk niet erg geschikt geweest zijn voor het zigeunerleven', merkte een van zijn biografen droog op naar aanleiding van het voorval. Tien jaar later stapte Smith de universiteit van Glasgow binnen; hij was pas veertien, maar dat was destijds geen ongewone leeftijd om te gaan studeren.

De universiteit was klein van omvang en telde slechts twaalf professoren, maar was toen al het centrum van de Schotse Verlichters, de aanhangers van het vooruitgangsgeloof die zich wilden bevrijden van de verstikkende tirannie van het klerikalisme. Smith raakte vooral gefascineerd door zijn vermaarde professor in de moraalfilosofie, de never to be forgotten Francis Hutcheson. Een krachtige persoonlijkheid die op de universiteit al gauw opzien baarde omdat hij als eerste brak met de gewoonte in het Latijn te doceren en zijn leerlingen gewoon in het Engels aansprak.

Te paard

Na enkele jaren studie won Smith een beurs en vertrok te paard naar Oxford, naar Balliol College. Maar Oxford was toen nog niet de citadel van de wetenschap die het later werd. Vergeleken bij de stimulerende atmosfeer in Glasgow is Oxford een intellectuele woestijn, klaagde Smith. 'De meeste docenten hebben reeds lang de schijn van het doceren laten varen', schreef Smith naar een vriend. Een vreemdeling die in 1788 een debat in Oxford bijwoonde, was met stomheid geslagen toen hij bemerkte dat er geen woord gesproken werd. Alle vier de deelnemers lieten hun tijd verstrijken, verdiept als ze waren in de lectuur van een pas verschenen roman.

Aangezien niemand bereid leek hem wat te leren, sloot Smith zich op in het intellectuele isolement van de bibliotheek. Toen hij op zijn kamer werd betrapt op het lezen van David Hume's A Treatise of Human Nature, werd hij bijna van de universiteit gestuurd omdat hij zich met deze 'ketterse' en 'atheistische' denkbeelden had ingelaten. Gelukkig was Smith toen hij afscheid kon nemen van Balliol en op achtentwintigjarige leeftijd terugkeerde naar Glasgow als professor in de logica. Het was het begin van een buitengewoon creatieve tijd, later door Smith omschreven als 'de gelukkigste en meeste eervolle periode' van zijn leven.

Niet alle statige professoren hadden waardering voor Smiths enthousiasme. Ze klaagden dat hij soms glimlachte onder de godsdienstoefening, tot overmaat van ramp bevriend raakte met de goddeloze Hume - samen met Montesqieu en Voltaire een typische exponent van de Verlichting - en zijn colleges niet meer met een gebed wilde beginnen. Maar Smith was geliefd bij zijn studenten en werd geroemd om zijn colleges.

Hij was ook buiten de collegezaal actief in het universiteitsbestuur en had een druk sociaal leven met een gevarieerde vriendenkring van intellectuelen, politici en kooplieden onder wie James Watt die later de stoommachine uitvond, Joseph Black, pionier in de scheikunde en de koopman Andrew Cochran die Smith bekend maakte met de zakenwereld, zijn inspiratiebron voor de Wealth of Nations.

In 1759 voltooide Smith zijn eerste grote werk The Theory of Moral Sentiments. Daarmee kwam Smith terecht in de voorste rijen der Engelse filosofen. Het boek, vlot geschreven en rijk aan anecdotes, ging over de oorsprong van het menselijk handelen. De mens werd volgens Smith niet alleen door eigenbelang gedreven maar tevens door sympathie voor anderen. Moral Sentiments bevat de beroemde observatie die Smith later in de Wealth of Nations zou herhalen: egoistische mensen worden vaak 'geleid door een onzichtbare hand... zonder het zelf te weten, zonder het te bedoelen, dragen ze bij tot verbetering van de samenleving'.

Borstbeeldjes

Het boek maakte Smith op slag beroemd. Overal in de etalages van boekwinkels in Glasgow verschenen kleine borstbeeldjes van de auteur. Van heinde en ver kwamen mensen naar zijn colleges, zelfs uit Moskou. Zijn boek trok ook de aandacht van de wispelturige Charles Townshend. Als minister van financien lokte hij de Amerikaanse revolutie uit door de kolonisten eerst het recht te weigeren hun eigen rechters te laten kiezen en daarna hoge invoerrechten op Amerikaanse thee te heffen.

Townshend, getrouwd met een rijke gravin, zocht een leermeester voor zijn zoon, de jonge hertog van Buccleuch. Adam Smith leek hem een ideale partner die zijn zoon kon vergezellen op een Grand Tour door Europa om wat savoir vivre op te doen. Townshend bood Smith driehonderd pond per jaar aan, plus onkostenvergoeding en een pensioen. Zo'n royaal aanbod kon de professor uit Glasgow niet weigeren en hij vertrok in 1764 met de jonge pupil naar Frankrijk. Zijn jonge reisgezel verveelde hem al gauw dermate dat zijn rustige leven in Glasgow haast losbandig leek, schreef hij zijn vriend Hume. Om het eentonige leven op het platteland te doorbreken, begon Smith te schrijven aan een nieuw boek dat de Wealth of Nations zou worden. Het saaie bestaan werd na achttien maanden goedgemaakt door een ontmoeting met Voltaire in Geneve. De Franse schrijver en filosoof had net zijn optimistische Candide gepubliceerd, een luchtige satire op Leibniz die onze wereld de best denkbare vond. 'Het meest universele genie dat Frankrijk heeft voortgebracht', zei Smith vol bewondering over Voltaire.

Parijse salons

Daarna vertrok hij naar de Franse hoofdstad, nieuwsgierig naar de veel geroemde salons. Daar kwam de Schotse filosoof in contact met Francois Quesnay, hofarts van Lodewijk de Vijftiende en leider van de fysiocraten, uitvinders van de laissez faire. De fysiocraten waren voorstanders van economische vrijheid in plaats van staatsbemoeienis en vonden de landbouw het middelpunt van economische activiteit. Hoewel Smith het met deze laatste opvatting niet eens was - hij had in Glasgow en Kirkcaldy gezien dat de werkplaats en fabriek de motor van de welvaart vormden - raakte hij diep onder de indruk van Quesnay's ideeen. Geinspireerd reisde hij na twee jaar terug naar Schotland en trok bij zijn moeder in om zijn magnum opus te voltooien.

Het huis in Kirkcaldy had een royale tuin die reikte van de dorpsstraat tot aan het strand. Alleen een oud steegje, de Adam Smith's Close, herinnert nog aan de beroemde dorpsbewoner uit een ver verleden. In het dorp doet een anecdote de ronde over de politieman Sandy Watson die eens gewed had dat hij elke race in Kirkcaldy zou winnen als hij het traject zelf mocht uitzoeken. Zijn route ging door de Adam Smith Close die zo smal is dat niemand de dikke Watson kon inhalen en hij zo de wedloop won. 'Mijn werk hier is studeren', schreef Adam Smith aan David Hume. 'Mijn enige ontspanning bestaat uit lange eenzame wandelingen langs het strand.'

Het zou nog jaren duren voordat zijn werk klaar was. Vrienden als Edmund Burke en Edward Gibbon, die zelf volop bezig was met de bloei en ondergang van het Romeinse Rijk, drongen er bij Smith op aan zijn boek vooral af te maken. Op 9 maart 1776 was het zover. An Inquiry into the nature and causes of the Wealth of Nations schetst een beeld van het einde van de achttiende eeuw in Engeland: van het leven van leerjongens en gezellen, van opkomende kapitalisten, van landheren, koningen, van fabrieken en boerderijen en de buitenlandse handel.

Smith legde de werking bloot van een onzichtbare hand die in de vorm van concurrentie het economische leven stuurt. Een regeling waarbij volgens Smith ieder mens wordt gedreven door de diepe wens zijn eigen positie te verbeteren - 'een wens die uit de onderbuik komt en ons nooit meer verlaat tot we het graf ingaan' - en die tevens het belang van de samenleving dient.

Met Das Kapital en de Bijbel behoort de Wealth of Nations tot de drie boeken waaruit mensen citeren zonder ze gelezen te hebben, zei de Amerikaanse econoom John Kenneth Galbraith eens. 'The Wealth is a great concerto', zegt biograaf Andrew Skinner. 'Het is een intellectuele attractie. Smith heeft een prachtig systeem van ideeen beschreven die nu nog interessant zijn.'

Speldenfabriek

Het boek handelt over vrije prijsvorming die volgens Smith zorg zou dragen voor alle maatschappelijke behoeften 'als men haar maar met rust zou laten' en over arbeidsdeling als bron van produktiviteitsstijging en groei, waarbij Smith het beroemde voorbeeld aanhaalt van een speldenfabriek.

Maar de Smiths boek gaat niet alleen over economie, zegt Skinner. 'Dat is een van de misvattingen die over Smith bestaan. Hij heeft een systeem beschreven dat ook over sociale wetenschappen handelt, ethiek, politiek en geschiedenis.'

'The Wealth of Nations gaat ook over de sociale kosten van de economische groei', meent Skinner. Een unicum voor die tijd. 'Smith was veel socialer dan hij nu wel eens wordt afgeschilderd. Hij wees als eerste op de sociale en psychische kosten van de arbeidsdeling. Marx kwam daar bijna een eeuw later mee, met zijn vervreemdingstheorie. Smith waarschuwde voor het afstompende effect van massa-produktie die mensen beroofde van hun natuurlijk creatief vermogen. Hij voorspelde een teruggang van de mannelijke deugden van arbeiders tenzij de regering maatregelen nam om dit te voorkomen', zegt de Smith-specialist. Hersenloze raderen 'Dat is een andere misvatting die bestaat over Adam Smith. Hij zou iedere vorm van staatsinterventie afkeuren. Dat klopt niet.'

Smiths laissez faire richtte zich, zo meent Skinner, vooral tegen de excessieve uitgaven van de koning en zijn ministers en tegen het mercantilisme, de protectionistische economische politiek die veel Europese staten sinds de zestiende eeuw voerden om de welvaart en de macht van de staat te vergroten. 'Smith staat dichter bij de ideeen van Lord Keynes dan menigeen denkt', meent Skinner. 'Zeker wanneer we de principes bekijken die staatsingrijpen rechtvaardigen.'

De staat moet volgens Smith activiteiten regelen om het tekortschieten van individuen te compenseren. 'Smith herinnert ons eraan dat zowel regeringen als markten kunnen falen. De staat moest voor een stabiele omgeving zorgen om het individu te laten bloeien.'

Zo moest de overheid zich van Smith bemoeien met het openbaar onderwijs om de burgers te verheffen boven het niveau van 'hersenloze raderen' in een grote machine, met defensie, met het justitiele apparaat en met publieke voorzieningen zoals de infrastructuur en de gezondheidszorg. Ook schrok de achttiende eeuwse econoom er niet voor terug middels ingrijpen van de staat het menselijk gedrag te beinvloeden. 'Zo moest whisky worden belast, niet alleen om inkomsten te verkrijgen maar opdat er minder gedronken zou worden', aldus Skinner. 'Wanneer je voor whisky in de huidige tijd drugs leest, is dat een interessant gedachte. Net als Keynes na de oorlog zou Smith nu tal van situaties zien waarin de staat moet intervenieren omdat de vrije markt faalt. Bij voorbeeld de structurele werkloosheid', meent de Schotse biograaf. 'Het ging Smith om het principe achter staatsingrijpen.' Wat het gedesillusioneerde oosten van Europa van Smith kan leren? 'Genoeg', meent Skinner. 'Smith vond dat publieke diensten aan de behoeften van de bevolking tegemoet moesten komen en dat de staat mensen moest aanzetten om deze diensten zo efficient mogelijk te leveren. Dat is natuurlijk iets dat zowel Thatcher als Gorbatsjov kan aanspreken', zegt Skinner.

John Barclay, die op de plaats van Adam Smiths geboortehuis in Kirkcaldy net een juwelierszaak is begonnen, denkt er het zijne van. 'Voor mij is Adam Smith de patroonheilige van alle zakenlui die in de vrije markt geloven', zegt Barclay in zijn winkel. Zelf is hij net in de Adam Smith-markt gestapt. Hij verwacht dat op 17 juli, de dag waarop Smith in 1790 in Edinburgh de laatste adem uitblies, veel toeristen naar zijn geboortegrond zullen trekken. Daar staat Barclay hen op te wachten met stropdassen, glazen en beeldjes van Adam Smith. En wat de Sovjet-Unie betreft. Hij heeft een doosje echt Schots kristal ingepakt met Smiths afbeelding erop. Klaar om naar Moskou gestuurd te worden. 'Om Gorbatsjov aan te moedigen toch vooral door te gaan met zijn hervormingen.'