Gebruik meeste landbouwgif in strijd met de milieuregels

ROTTERDAM, 11 juli Bijna driekwart van de hoeveelheid oude bestrijdingsmiddelen die in de land- en tuinbouw wordt gebruikt zou op grond van de huidige milieuregels moeten worden verboden. Dit blijkt uit een onderzoek van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieubeheer (RIVM). Bij oude bestrijdingsmiddelen gaat het om pesticiden die voor 1977 op de markt kwamen. In dat jaar werd de aangescherpte Bestrijdingsmiddelenwet van kracht, op grond waarvan nieuwe pesticiden aan een speciale toelatingsprocedure worden onderworpen. Daarbij wordt onder andere gekeken naar de schadelijkheid van het middel voor natuur, dier en mens. Het gebruik van de oude middelen bleef zonder een dergelijke toetsing geoorloofd. Wel werd de toepassing van enige zeer oude middelen zoals DDT, aldrin, endrin, dieldrin en chloordaan verboden.

In de land- en tuinbouw zijn nog 148 van deze oude middelen in gebruik. Ze vormen de grote bulk (circa 80 procent) in de ruim twintig miljoen kilogram die in Nederland jaarlijks aan bestrijdingsmiddelen, ook wel aangeduid als gewasbeschermingsmiddelen of landbouwgif, wordt aangewend. Ze zijn door het RIVM op hun schadelijkheid onderzocht. Gebleken is dat 71 van de 148 middelen niet voldoen aan de geldende milieunormen. In volume uitgedrukt vertegenwoordigen deze 71 middelen bijna driekwart van de gebruikte hoeveelheid oude bestrijdingsmiddelen.

Het RIVM bekeek de oude bestrijdingsmiddelen op hun gedrag in de grond, in het water en op hun giftigheid voor organismen. Tenminste twintig procent van de middelen bleek niet te voldoen aan de Europse norm voor drink- en grondwater die inhoudt dat niet meer dan 0,1 microgram per liter mag uitspoelen. Verder bleek dat meer dan een kwart van de oude middelen er in het milieu langer dan twee maanden over doet voordat ze voor de helft zijn afgebroken. Deze middelen overschrijden dus de in Nederland gehanteerde grenswaarde van twee maanden halfwaardetijd. Tenslotte stelde het RIVM vast dat tien procent van de oude middelen bij toepassing groot risico oplevert voor de visstand. Voor de kreeftachtigen geldt dat voor dertig procent en voor algen voor veertien procent van de oude middelen. Over de toxiciteit voor vogels waren slechts gegevens beschikbaar van de helft van de onderzochte oude middelen. Daarvan blijkt ruim een kwart giftig tot zeer giftig voor vogels.

Een uitputtende beoordeling van de risico's van bestrijdingsmiddelen was volgens het RIVM niet in alle gevallen mogelijk. Regelmatig bleken gegevens te ontbreken die fabrikanten wel behoren aan te leveren. Over het gedrag van bestrijdingsmiddelen in de lucht zijn weinig gegevens beschikbaar, ook al omdat daar door de overheid in de aanvraagprocedure nauwelijks naar wordt geinformeerd.

De bevindingen van het RIVM zullen worden gebruikt bij de opstelling van het meerjarenplan voor de gewasbescherming, waaraan door vier ministeries (landbouw, sociale zaken, volksgezondheid en milieubeheer) sinds 1984 wordt gewerkt. Het definitieve plan, dat eind vorig jaar gereed had moeten zijn, wordt komend najaar verwacht. Daarin zal worden aangegeven op welke manier het gebruik van bestrijdingsmiddelen moet worden teruggedrongen. De bedoeling is het gebruik van de meest milieugevaarlijke middelen op korte termijn te verbieden en het totale gebruik de komende tien jaar te halveren.

De uitkomsten van het RIVM-onderzoek onderstrepen volgens dr. L. Reijnders van de Stichting Natuur en Milieu de noodzaak om het gebruik van oude bestrijdingsmiddelen zo spoedig mogelijk te saneren. 'In feite is het gebruik van veel middelen illegaal, omdat het in strijd is met de geldende milieucriteria.'

Hij wijst erop dat vrijwel alle grondontsmettingsmiddelen die bij de teelt van aardappelen, bieten en bloembollen worden gebruikt horen tot de groep van 71 middelen die volgens het RIVM-onderzoek niet voldoen aan de huidige milieu-normen. 'Het is evident dat een verbod van deze middelen ingrijpende gevolgen zal hebben voor de Nederlandse landbouw', aldus Reijnders.