Europarlement wil twee samenwerkingsprogramma's; Hulpwetenschap O-Europa

BRUSSEL, 11 juli Het Europees Parlement heeft gisteren een rapport goedgekeurd waarin wordt voorgesteld intensieve wetenschappelijke steun aan Oost-Europa te verlenen. Twee programma's, een gericht op versterking van het wetenschappelijke en technologische potentieel in Tsjechoslowakije, Polen, Hongarije, Bulgarije en Joegoslavie, het andere specifiek op de ontwikkeling van milieutechnologie en de bevordering daarvan in de industrie, moeten volgens het rapport per 1 januari 1992 van start gaan en een periode van twee maal vier jaar omvatten.

In de periode daarvoor bepleit het rapport, dat is opgesteld door de Nederlandse liberale Europarlementarier Jessica Larive, een noodhulpprogramma te organiseren waarbij Westerse wetenschapsmensen en experts voor een periode van maximaal zes maanden naar de betrokken landen worden gestuurd om plaatselijke wetenschapsmensen te helpen, netwerken op te zetten en prioriteiten vast te stellen.

In het rapport wordt voorgesteld voor de twee eerste programma's samen 300 miljoen gulden per jaar uit te trekken. Het interimprogramma zou gefinancierd moeten worden uit het zogeheten 'Phare'-programma, het vorig jaar gestarte hulpprogramma voor Polen en Hongarije, dat vorige week werd uitgebreid tot de andere democratiserende Oosteuropese landen, behalve Roemenie.

Larive meent dat er zo snel mogelijk concrete programma's moeten worden opgesteld omdat de situatie van het wetenschappelijk onderzoek in Oost-Europa nijpend is. Zij denkt daarbij ook aan de mogelijkheid dat wetenschappelijke instellingen in het Westen nog goed bruikbaar, maar enigszins verouderd materiaal ter beschikking stellen. 'Natuurlijk geen ouwe rotzooi, maar het hoeft niet spiksplinternieuw te zijn. TNO heeft bijvoorbeeld dingen staan waarmee ze in Oost-Europa dolgelukkig zouden zijn.' Larive waarschuwt er wel voor dat men in de Oosteuropese landen de indruk zou krijgen 'dat wij vertellen wat er moet gebeuren en wat ze nodig hebben'.

Belangrijkste doel van de voorgestelde programma's is te voorkomen dat de wetenschapsmensen in Oost-Europa in een geisoleerde positie raken, nu de 'navelstreng met de Sovjet-Unie is doorgesneden'. Onderschat moet volgens haar ook niet worden wat er aan fundamenteel onderzoek in Oost-Europa gebeurt, zoals op het gebied van de wiskunde in Hongarije. Die ervaring zou in een later stadium uitgewisseld kunnen worden met de Westerse landen.