Eerbetoon aan Granz met storende elementen

Bewijs je iemand eer door hem te imiteren? Misschien. Levert zo'n imitatie artistiek weleens iets extra's op? Zelden. Dat het gisteren als een 'Tribute to Norman Granz' georganiseerde Jazz at the Philharmonic-concert weinig nieuws zou brengen, was dus te verwachten. Toen Granz op 2 juli 1944 zijn eerste concerten in het Philharmonic Auditorium in Los Angeles organiseerde was hij zelf 25, zijn musici gemiddeld even oud en het publiek waarschijnlijk nog jonger. In het Concertgebouw lag de gemiddelde leeftijd eerder rond de 50; de benjamin van de band, de bassist N. H. (O/)rsted Pedersen, was 44, en de nestor, altsaxofonist Benny Carter, bijna 83 jaar. Een feest der herkenning lag dus voor de hand, maar ook daar kwam om diverse redenen weinig van terecht.

Storende factor een was het feit dat bassist Pedersen en slagwerker Ed Thigpen elkaar absoluut niet verstonden. De eerste speelde consequent na de beat, Thigpen probeerde juist te jagen. Dat die laatste dat deed, had wellicht te maken met storende factor twee: alle collectieve stukken, How high the moon en Perdido, Broadway zowel als Just Friends, werden gespeeld in een tempo van ongeveer veertig maten per minuut met iedereen een solo in dat zelfde sukkeldrafje. Echt te genieten viel er pas als de musici in klein verband een favoriet stuk mochten spelen. Clark Terry gaf een aardig staaltje van 'vocal drumming' in een snelle blues, gitarist Kenny Burrell oogstte veel applaus met I got it bad van Duke Ellington en klarinettist en kampioen tribute-speler Buddy de Franco verraste met een ritmisch gevarieerde lezing van Easy Living.

Daar leek het bij te blijven, tot organisator Hans Loonstijn met veel geheimzinnigheid een vrouwelijke gast aankondigde. 'Billie Holiday', mompelde een cynicus achter in de zaal. 'Ella Fitzgerald', opperde zijn buurman even cynisch maar minder dwaas omdat de zakelijke man achter deze zangeres immers de zojuist geeerde Norman Granz is. Zou die Loonstijn die Paul Acket van dat andere festival dan alsnog... Het 'geheime wapen' van Loonstijn bleek echter Deedee Bridgewater te zijn, die, na alle musici te hebben afgezoend, best nog twee liedjes wilde gillen. Zo begon en eindigde dit festival zoals ook het volgende zal beginnen: met een 'tribute'. 'De jazz is niet dood,' zei een musicus eens 'it just smells funny'.