DE HONGER NAAR STAAL

D e Sovjet-Unie is als enig in dustrieel ontwikkeld land ter wereld zelfvoorziend op het gebied van primaire grondstoffen en energieprodukten. In de Russische bodem lijkt alles ruimschoots voorradig te zijn. De huidige staalproduktie van de Sovjet-Unie is maar liefst veertig procent van de totale wereldproduktie. Maar toch is in de Sovjet-economie bijna altijd sprake van een nijpende schaarste aan grondstoffen; hoe kan dit worden verklaard? Boris Rumer, werkzaam bij het Russian Research Center van Harvard University, probeert in zijn boek Soviet Steel deze vraag te beantwoorden door te kijken naar het heden, verleden en de toekomst van de Russische staalindustrie.

Zoals in bijna alle studies over de economische situatie in de USSR, is ook in Rumers boek treurnis troef. De staalproduktie is bijna gestagneerd, met een groei over de periode 1981-1985 van nog geen een procent. Volgens Rumer is het belangrijkste obstakel in de Sovjet-staalindustrie echter niet zozeer gelegen in de kwantiteit alswel in de gebrekkige kwaliteit van de afgeleverde produkten. Dit heeft op zijn beurt weer alles te maken met het irrationele systeem van centrale planning, waarin niet of nauwelijks rekening kan worden gehouden met de wensen van diegenen die de staalprodukten ook werkelijk zullen gaan gebruiken. Zoals de meeste zware industrieen is ook de staalsector in de Sovjet-Unie overgecentraliseerd. Dit leidt tot een gecompliceerd spel tussen het betreffende ministerie en Gosplan, het centrale planbureau. Het ministerie vraagt om meer staal dan zij nodig denkt te hebben, want de ervaring leert dat men minder krijgt dan wordt gevraagd. Gosplan op haar beurt weet ook dat het ministerie te veel vraagt, en wijst arbitrair een bepaalde hoeveelheid toe. Objectieve data en technologische calculaties spelen hierbij absoluut geen rol.

Ook individuele bedrijven die staal van het ministerie nodig hebben, hanteren dit 'hoe-meer-je-vraagt, hoe-meer-je-krijgt'-principe, waardoor er in de praktijk een ongelimiteerde vraag ontstaat, niet alleen naar staal, maar naar alles wat men ooit nog eens denkt te kunnen gebruiken. In 1982 onderzocht het Moskouse Inkoopbureau 300 industriele bedrijven in de stad naar hun voorraad primaire grondstoffen, waaronder staal. Het resultaat was verbluffend: alle bedrijven beschikten over enorme hoeveelheden staal van verschillende soorten en kwaliteiten. De bedrijven beschouwden deze voorraden als een soort industriele valuta, waarmee op de zwarte markt kon worden betaald voor bepaalde goederen of diensten.

Officiele cijfers uit begin jaren tachtig wijzen uit dat in de Sovjet-economie een totaalbedrag van 128 miljard roebel aan produktiereserves bij individuele bedrijven aanwezig moest zijn. Rumer vergelijkt deze reserves met een 'laag vet bij een kameel': de Sovjet-bedrijven hebben dit vet, in de vorm van staal, immers nodig om te overleven in de centrale-planwoestijn.

Ondanks verwoede pogingen om de kwaliteit van het Sovjet-staal op te krikken, is nauwelijks enig succes geboekt. Ook hier speelt het falende plansysteem een centrale rol. Nog steeds houdt men zich bij Gosplan voornamelijk vast aan de klassieke plan-indicator: gewicht. Rumer geeft als voorbeeld de fabriek in Novolipetsk die 500.000 ton staalplaat van 1,2 tot 3,9 millimeter dikte moest afleveren. Het moge duidelijk zijn dat er qua produktieproces een aanzienlijk verschil bestaat tussen een plaat van 1,2 mm en een van bijna 4 mm dikte. Hoe dunner de staalplaat, hoe geavanceerder de produktietechnologie moet zijn. De fabriek mag echter van het ministerie in het merendeel van de gevallen nog steeds zelf bepalen welke produkt-mix ze wil afleveren, met als voorwaarde dat het gewicht in ieder geval de geplande 500.000 ton haalt. De klanten van Novolipetsk hebben veel meer behoefte aan dungerold staal, maar ze zullen vanzelfsprekend ook het dikkere staal accepteren, dat ze vervolgens op de zwarte markt kunnen omruilen of zelf tot de gewenste dikte walsen. Het is opvallend dat de prijs van het staal in deze karakteristieke Sovjet-farce geen rol van betekenis speelt. Technologische vernieuwing wordt in dit systeem niet aangemoedigd, en zowel de bedrijven als de ministeries blijven huiverig voor alles wat de huidige structuur aantast.

Ontzagwekkend

Vergeleken met andere geindustrialiseerde landen is de omvang van de staalsector in de Sovjet-Unie ontzagwekkend: de staalindustrie gebruikt 25 procent van alle kolen en tien procent van het gas dat jaarlijks in de USSR wordt geconsumeerd; bovendien is zo'n kleine tien procent van de beschikbare arbeidskrachten werkzaam in deze sector. In westerse landen bestaat al jaren de tendens om de eigen primaire bronnen zo min mogelijk aan te tasten; er kan immers veel meer winst worden gemaakt op de export van hoogwaardige technologische produkten. Maar volgens Rumer zien we in de USSR het omgekeerde: Moskou is voor inkomsten in harde valuta voor een groot deel afhankelijk van de export van staal- en energieprodukten. De delving van die grondstoffen wordt voor de Sovjet-Unie echter met het jaar moeilijker, omdat steeds dieper moet worden gegraven en geboord en in steeds ontoegankelijkere gebieden. Dit alles gaat bovendien gepaard met enorme ecologische problemen. Zo schijnt er in bepaalde zuidelijke delen van Europees Rusland al een gebrek aan schoon water te zijn ontstaan ten gevolge van intensieve delving van ijzererts.

Over de toekomst van de staalindustrie in de USSR is Boris Rumer somber gestemd. Hoewel Gorbatsjov de totale leiding van de staalindustrie heeft vervangen, heeft de perestrojka volgens Rumer in deze sector nauwelijks haar uitwerking gehad. Net als bij de meeste Derde-Wereldlanden blijft ook de Sovjet-Unie afhankelijk van de export van primaire grondstoffen; zonder deze export kan zij de noodzakelijke importen van graan en westerse technologie immers niet financieren. De produktiekosten van ijzererts blijven echter gestaag stijgen en er zal een moment komen dat ook de Sovjet-Unie moet besluiten staal in te voeren en zich meer te concentreren op produkten met een hogere toegevoegde waarde. Maar, zoals Stalin het in 1929 formuleerde, voorlopig 'hongert het land nog naar staal'.

Soviet Steel. The Challenge of Industrial Modernization in the USSR, Boris Z. Rumer. Uitgeverij Cornell University Press, Ithaca en Londen. Prijs 79,40 gulden. ISBN 0-8014-2077-6.