Albanie niet immuun voor revoluties

ROTTERDAM, 11 juli Je kunt Ramiz Alia, president en partijleider van Albanie, de vlucht van die duizenden Albanezen naar al die ambassades in Tirana niet eens zozeer aanrekenen, zegt Andrea Opari: Alia wordt in zekere zin het slachtoffer van zijn eigen hervormingen. Hij heeft hervormd, sinds hij in 1985 aan de macht kwam, op kousevoeten, om het evenwicht niet te verstoren dat door veertig jaar isolement en indoctrinatie onder zijn voorganger Enver Hoxha was geschapen, en om zijn legitimiteit als Hoxha's kroonprins en opvolger niet te verspelen. De media in Albanie hebben voortdurend geroepen dat 'we verder gaan op de weg van Hoxha', ze hebben geroepen dat Hoxha de architect is van het moderne Albanie maar dat Alia zijn trouwe volgeling is, maar intussen is er wel veel veranderd. Alleen: de mensen willen meer, zegt Andrea Opari, en dus vluchten ze.

Opari komt uit Albanie, is zelf een vluchteling, een donkerblonde man van net dertig, klein, gedrongen, vierkant, een wandelende spierbundel. Hij is filoloog, heeft Engels gestudeerd, en Albanese taal- en letterkunde. Een oude vriend, want vijf jaar geleden, toen hij nog leraar Engels in Tirana was, hebben we twee weken door Albanie gezworven, van Shkoder in het noorden tot Saranda in het zuiden, van Korca in het oosten tot Durres in het westen, een twee lange weken durende discussie over Hoxha en Alia en de standbeelden van Stalin in de parken van Albanie en de indoctrinatie op de kleuterscholen en de harde handen van het Albanese socialisme.

Twee jaar later is Opari gevlucht, hij was door contact met buitenlandse christenen religieus geworden, protestants, en het officieel afgekondigde atheisme beviel hem niet langer. Op een dag in september 1987 is hij onder een Poolse vrachtwagen gaan hangen en zo, zich wanhopig vasthoudend aan het chassis, is hij de grens naar Joegoslavie over gevlucht. De vrachtwagen werd aan de grens gecontroleerd, maar Opari werd niet ontdekt. Als dat wel was gebeurd had hij minimaal tien jaar kamp gekregen, zegt hij.

Hij zwierf door Joegoslavie, ontkwam naar Oostenrijk, zat er in het vluchtelingenkamp Traiskirchen tot hij eruit werd gegooid na een conflict met een Oostenrijkse politieman die hem allerlei vragen stelde over de relatie tussen Albanie en Joegoslavie. Begin 1988 werd hij naar Nederland gesmokkeld door een kennis: liggend in een auto, onder stapels boeken, zo kwam hij dit land binnen.

Opari woont op een tweekamerflat in een binnenstad. Boven de schoorsteenmantel de tweekoppige adelaar uit het Albanese wapen, een schilderij van een Albanese in klederdracht, een vilten fez, woordenboeken. Hij houdt zich in leven met het vertalen van religieuze en literaire teksten uit het Engels in het Albanees, voor een bijbelgenootschap, en soms, om bij te verdienen, pakt hij elk werk aan dat hij krijgen kan: ook als vuilnisman heb ik gewerkt, zegt hij, ik ben academicus, maar ik ben niet vies van zwaar werk. Hij is hier gewend, zegt hij, in de zin dat hij auto rijdt en de taal heeft geleerd, hij is gewend aan de Nederlandse shag en de Nederlandse vreemdelingenpolitie, goede mensen, zegt Opari, 'beleefd en redelijk, je krijgt zelfs een kopie van de notulen van het gesprek, daar hoefde je in Oostenrijk niet om te komen.'

Nederland, zegt hij, is een land van individualisten, anders dan de Albanezen, 'maar ik weet dat Nederland een land is dat de Nederlanders voor zichzelf hebben ingericht, niet voor mij, ik heb daar geen kritiek op, ik heb daar respect voor.' Het verbaast hem alleen dat juist vandaag voor de tweede keer zijn verzoek om politiek asiel is afgewezen. Het verbaast hem, zegt hij, 'omdat juist nu iedereen zo begaan is met het lot van de ambassadevluchtelingen'.

'Ik ben een beetje jaloers: zij krijgen papieren. Nederland wil de zaak van de vluchtelingen in EG-verband regelen. Denk je dat die opmerking terugwerkende kracht heeft en ook slaat op Albanezen die hier al langer leven? Ik begrijp die nieuwe afwijzing niet. Ik leef op niemands zak, ik heb nooit een cent steun gevraagd of gekregen, ik betaal belasting en ik doe werk dat niemand kan doen.' Contact met Albanie heeft hij niet. Ik ben gewend, zegt hij, maar ik mis mijn familie, mijn wortels, mijn land. 'Om in bijbelse termen te spreken: heb uw vijanden lief. In Albanie word ik beschouwd als een verrader. Maar ook het Albanese bewind is mijn vijand niet.'

Hij heeft zijn familie wel geschreven maar nooit antwoord gehad, mijn enige band, zegt hij, vormt een volksdansgroep die ik Albanese dansen en liedjes bijbreng, 'mijn manier om te tonen dat Albanie een land is met oude tradities en een oude cultuur, die eeuwenlang is vertrapt. Waar je ook woont, je vergeet nooit waar je vandaan komt.'

Langzaam

Ramiz Alia, zegt Andrea Opari, is te vergelijken met een nieuwe leraar die dezelfde leerstof doceert, maar op een andere manier dan zijn voorganger, en die zich aanpast aan veranderde omstandigheden. Er zijn onder hem veel dingen veranderd. Reizen is makkelijker geworden, voor familiebezoek en voor een beroepsopleiding. In de pers wordt veel meer kritiek geuit dan vroeger. De bureaucratie is aangepakt, managers zijn ontslagen, opeens blijkt niet alles meer in orde, zoals vroeger, er blijken fouten te zijn gemaakt. En er zijn materiele prikkels gekomen in de plaats van de morele prikkels van Hoxha. Nu wordt zelfs toegegeven dat het grondwetsartikel dat stelt dat het marxisme in Albanie de dominerende ideologie is ruimte laat voor het bestaan van andere, niet-marxistische ideologieen. 'Denk je dat je dat tien jaar geleden hardop kon zeggen? Tien jaar geleden moesten zelfs buitenlandse toeristen eerst naar de kapper om hun lange haar en baard af te laten scheren voor ze Albanie binnen mochten.' Maar het is langzaam gegaan, en er is altijd luid bij geroepen er moest altijd luid bij worden geroepen dat Hoxha hetzelfde zou hebben gedaan als hij nog zou hebben geleefd. 'Hoxha wordt in het Westen afgeschilderd als een botte stalinist, maar hij was ook een bevrijder, Hoxha is de eerste Albanese leider in vijfhonderd jaar die Albanie vrij maakte van buitenlandse overheersers en die de Albanezen vertelde dat ze trots konden zijn op wat ze met hun eigen zweet hadden opgebouwd.'

Het gaf hem, zijn harde handen ten spijt, een zekere legitimiteit, en daarom heeft Alia nooit duidelijk kunnen breken met zijn voorganger en zijn de hervormingen maar heel geleidelijk verlopen.

Begin dit jaar raakten de hervormingen niettemin in een stroomversnelling: meer priveinitiatief werd toegestaan, de openheid nam verder toe, de godsdienstvervolging werd gematigd en het thema van betrekkingen met de VS en de Sovjet-Unie werd zelfs uit de taboesfeer gehaald. 'Hoxha noemde imperialisten en sociaal-imperialisten Russen wolven die zelfs met maar een tand in hun bek gevaarlijk konden zijn. Nu zijn die wolven tamme honden geworden.'

De tempowisseling, zegt hij, is een gevolg van de revoluties in Oost-Europa: 'Ook een geisoleerd land als Albanie is niet immuun gebleken, ook Albanie is besmet. De mensen weten wat zich in Oost-Europa afspeelt.' De kwestie van de vluchtelingen, zegt Opari, zal binnen een paar dagen wel worden opgelost. Interessanter is de vraag wat er daarna gebeurt met de crisis die voor het bewind resteert. Alia, zegt hij, probeert de Albanezen ervan te overtuigen dat hervormingen verbeteringen zijn. Als hij hen overtuigt is er een kans op een zeer geleidelijke democratisering. Lukt het niet, dan wacht Albanie 'een Tienanmen-oplossing': geweld. Maar, zo voegt hij er haastig aan toe, het lijkt hem de minst waarschijnlijke oplossing. 'Men weet heel goed dat Tienanmen geen oplossing is. Het bloedbad in Peking is vorig jaar niet voor niets door Tirana veroordeeld, net zoals indertijd de Culturele Revolutie in China een van de redenen was voor de breuk tussen Albanie en China. Alia weet te goed dat als de geest uit de fles is, geweld niet helpt.' Er is, zegt Opari, nog een tweede aspect aan de vluchtelingenkwestie: de negatieve uitwerking op de ontwikkelingen in Kosovo, de Joegoslavische provincie waar de Albanese bevolking haar laatste restje autonomie kwijtraakt. 'De ontwikkelingen in Albanie leiden de aandacht af van Kosovo. Iedereen spreekt zich uit voor de democratisering van Albanie waar misschien mensen worden onderdrukt, maar niemand spreekt zich uit voor de Albanezen in Kosovo, waar mensen worden gedood in dezelfde strijd voor democratie en vrijheid. Waarom zwijgt men als in Kosovo mensen worden gedood door een bewind dat met beide handen allerlei mensenrechtenverklaringen heeft ondertekend?'