Wantrouwen beheerst Suriname

Minister Van den Broek van buitenlandse zaken heeft namens de Nederlandse regering de Tweede Kamer onlangs bericht dat de situatie in Suriname naar aanleiding van 'recente ontwikkelingen' als 'buitengewoon zorgelijk voor het democratiseringsproces en de stabiliteit' moet worden beoordeeld. Deze zienswijze heeft de Nederlandse regering, aldus gaat de brief verder, 'recentelijk meerdere malen onder de aandacht van de Surinaamse regering gebracht', helaas zonder dat enige verbetering in die zorgelijke situatie is ingetreden. Daarom, zo besluit Van den Broek zijn op 22 juni gedateerde, doch pas onlangs in de publiciteit gebrachte brief 'lijkt de conclusie onontkoombaar dat het Surinaamse Nationaal Leger de facto over een autonome machtspositie beschikt en dat de Surinaamse regering niet bij machte is, hiertegen effectief op te treden'. Ongeveer twee maanden geleden gaf de Amerikaanse ambassadeur in Paramaribo, Howland, namens zijn regering een verklaring uit waarin eveneens de preponderante rol van het leger in de politiek in Suriname werd vastgesteld en de burgerregering werd verweten niets te doen om de invloed van het leger terug te dringen.

Nederland en de Verenigde Staten, maar ook de regeringen van Frankrijk, Brazilie en Venezuela hadden na de verkiezingen van 1987, die een monsteroverwinning opleverden voor de zogenaamde 'oude' politieke partijen, (dat zijn de politieke partijen van voor de staatsgreep van 1980) in verschillende toonaarden 'het herstel van de democratie en van de rechtsstaat in Suriname' bejubeld en hun vertrouwen uitgesproken in de burgerregering-Shankar.

Temidden van deze golven van euforie (sommigen zagen reeds het moment aanbreken waarop de militaire leiders van Suriname, legerbevelhebber Bouterse voorop, zich in de beklaagdenbank voor hun wandaden zouden moeten verantwoorden; net zoals het indertijd de militaire leiders van Argentinie verging) schreef ik aan het slot van een analyserend artikel in NRC Handelsblad van 1 december 1987: 'Mijn conclusie kan na het voorgaande derhalve slechts zijn dat de verkiezingen op korte en middellange termijn niets zullen (kunnen) veranderen aan de machtspositie van legerbevelhebber Bouterse'. Die conclusie was gebaseerd op een bestudering van de nieuwe Surinaamse grondwet en de machtsverdeling tussen regering en militair gezag zoals deze in die grondwet zijn neerslag had gevonden. In die grondwet is inderdaad de 'autonome machtspositie' van het Surinaamse leger vastgelegd, waarover dus nu zowel de Nederlandse als de Amerikaanse regering zich beklagen.

Mits

Men weet dat aan de totstandkoming van die grondwet besprekingen tussen de militaire leiders en de politici van de oude politieke partijen vooraf waren gegaan. Bouterse was pas bereid in te stemmen met vrije verkiezingen, mits de autonome machtspositie van het leger grondwettelijk voor ten minste vijf jaren gegarandeerd zou worden. Toen hij die toezegging kreeg, beloofde hij op zijn beurt dat het leger de verkiezingsuitslag, hoe die ook zou uitvallen, zou respecteren. Aan die belofte heeft het leger zich tot op dit moment ook gehouden.

De 'oude' politieke leiders hebben toen zeer goed begrepen dat het Surinaamse kiezersvolk niet een grondwet zou accepteren, die een autonome machtspositie van het leger garandeerde. Daarom is een 'truc' uitgehaald om de bevolking toch massaal voor die grondwet te laten stemmen. De belofte werd namelijk gedaan dat als de verkiezingen met een tweederde meerderheid zouden worden gewonnen, de grondwet weer gewijzigd zou worden in de geest zoals de bevolking dat wenst(e). De 'oude' politieke leiders zeiden er niet bij dat krachtens het gesloten pact met de militairen wijziging van de grondwet pas na de eerste zittingsperiode van vijf jaar, dus pas na 1992, aan de orde kan komen. Het uitblijven van die grondwetswijziging heeft tot diepe teleurstelling geleid, bij zowel de Surinaamse bevolking als, zoals blijkt uit hun reacties, bij de regeringen van Nederland en van de Verenigde Staten.

Als deze regeringen echter de problemen in Suriname niet nog groter willen maken, dan doen zij er verstandig aan geen druk uit te oefenen op de burgerregering om met het leger gemaakte afspraken niet na te komen. Het leger zou dan anders ook van zijn kant gemaakte afspraken aan de militaire laars kunnen gaan lappen. Zo ziet de burgerregering het kennelijk ook en daarom werd ambassadeur Howland wegens de verklaring die hij uitgaf door president Shankar ontboden, die hem vervolgens terechtwees voor wat genoemd werd 'de inmenging van de Amerikaanse regering in Surinaamse binnenlandse aangelegenheden'. De Amerikaanse en de Nederlandse regering hadden er verstandiger aan gedaan de grondwet van 1987 eerst goed te bestuderen alvorens zich zo stellig en onherroepelijk, kennelijk uit antipathie jegens het leger, achter de burgerregering-Shankar te stellen.

Crisis

Het is overigens zeer de vraag of het het bestaan van twee, grondwettelijk gelegitimeerde machtscentra in het land is, waaruit de huidige onregeerbaarheid van Suriname verklaard moet worden. Er bestaat nog altijd een onopgeloste vertrouwenscrisis tussen burgerregering en militair gezag, welke crisis ontstond toen president Shankar in een vertrouwelijk gesprek met legerbevelhebber Bouterse 'bekende' met het Kouro-vredesverdrag in werkelijkheid geen vrede met het junglecommando na te streven, doch dat het verdrag slechts de bedoeling had het junglecommando in een val te laten lopen.

Toen Shankar de onthulling van Bouterse op zijn beurt weer ontkende, verklaarde het leger dat er een vertrouwenscrisis met de regering bestond en werden de militairen uit de overlegorganen met de regering teruggetrokken. Sindsdien lopen 'de klokken in de beide machtscentra niet meer gelijk', lopen op veel punten zelfs tegen elkaar in, met de huidige troebele en richtingloze politieke situatie in het land tot gevolg.

De auteur was na 1980 vice-premier en minister van buitenlandse zaken van Suriname; hij is thans advocaat in Amsterdam.

Paramaribo 1987: schijnbare verbroedering tussen de militairen en de burgerregering. (Foto: NRC Handelsblad/ Vincent Mentzel)

    • André Haakmat