Toverlantaarn van Man Ray schijnt op decors van dromen

ARLES, 10 juli Zoals in alle beeldende kunst heerst in de fotografie chaos. Wie het niet wist kan zich er op de 21ste Rencontres Internationales de la Photographie in Arles van overtuigen. Men onderscheidt zich door de fixatie op onderwerpen, men beoefent een genre en de een kan het beter dan de ander; maar de scholen, richtingen? Als ze al, of nog bestaan, lijkt het me niet meer de moeite waard, het hoofd te breken over theoretische beredeneerbare verschillen.

Ik ging kijken naar Man Ray die gehuisvest is in een paar zalen van het Museum Reattu, een voorbeeldig omgebouwd klooster vlak bij de Rhone. Kloosters, bewijst de praktijk van Arles, lenen zich in het algemeen goed om tot museum te worden omgebouwd. Bij de ingang van de zalen met het werk van Man Ray wordt de bezoeker begroet met een uitspraak van de meester zelf: 'La photographie n'est pas l'art', een apodictisch zinnetje dat in deze omwillekeurig wat vrome sfeer als een opluchting werkt. Dit is de enige tekst. De tentoonstelling, Derriere la facade genaamd, bestaat uit 32 foto's, in Parijs en in het zuiden terloops, onderweg genomen. Een gevelrij, een lichter aan de kade, doorkijkje op een stadsbinnenplaats, het station Montparnasse, een paar dikke torens van een oude burcht, nog het een en ander dat iedereen gewoon kan tegenkomen. Reden waarom ik er verder geen opsomming van geef, maar probeer ze onder een gemeenschappelijke noemer te brengen. Bijna al die foto's zijn decors van dromen.

Man Ray was natuurlijk niet de eerste de beste. Bevriend met Marcel Duchamp, Picasso, Max Ernst om er een paar te noemen, levensgezel van Kiki de Montparnasse om je in dit gezelschap te handhaven moest je wel goed kunnen fotograferen. Niettemin, hoe komt het dat die foto's, ogenschijnlijk gemaakt zonder hocuspocus als droomdecor herkenbaar zijn? Omdat Man Ray het droom-oog had dat hem in staat stelde, datgene uit de hele zichtbare werkelijkheid af te zonderen wat de meeste mensen alleen doen als ze slapen. Een droom maakt nooit de hele werkelijkheid zichtbaar; de dromer heeft een toverlantaarn waardoor hij een decor afzondert en daardoor de sfeer laat bepalen van wat hij beleeft terwijl hij slaapt. Dat gaat natuurlijk allemaal per ongeluk. Men zou wel willen dat men zijn eigen dromen kon regelen. Maar er is iets dat in ieder geval een beetje aan dit tekort tegemoet komt: kijk naar zo'n terloopse foto van Man Ray en denk: ik heb vreemd gedroomd vannacht. U zult merken dat u dit geen moeite kost. Ook in het Museum Reattu hangt werk van Marylin Bridges: vele foto's hoog uit de lucht genomen waardoor Moeder Aarde zich geheimen laat ontfutselen die ze voor de camera op de begane grond weet te bewaren. Dit is de archeologie van boven af. Zo heeft men bij bepaalde lichtval al heel wat restanten van oude beschavingen ontdekt, maar daar is het Bridges niet in de eerste plaats om te doen. De Aarde heeft voor wie van boven naar beneden kijkt haar esthetische kwaliteiten, net als de Maan trouwens, met dit verschil dat we op onze eigen planeet rusteloos geploegd hebben.

Het is door Bridges knap vastgelegd en ik heb respect voor al die aspecten van het vakmanschap die hier bewezen worden. Desnoods kunnen we ons bij de aanblik van dit werk ook nog de existentiele vraag stellen: waar leidt dit alles heen? Van grote hoogte bezien maakt het menselijk bestaan een andere indruk dan wanneer je er met je neus op staat. Zo leer je wat 'afstand nemen' betekent, een ervaring die je dan in zekere zin deelt met de bemanningen van de bommenwerpers in de oorlog. Zelfs de slagvelden uit de Eerste Wereldoorlog schijnen van grote hoogte nog bepaalde herkenbare trekken te hebben, en daarmee, als de zon goed staat, misschien ook wel hun eigen esthetiek. Zo bezien is nooit wat dan ook voor niets geweest. Het hangt er maar vanaf, in welke tijd je het onder welke hoek bekijkt.

De dame die de zalen met het werk van Bridges bewaakte, had achter de luxaflex een stapeltje lectuur in reserve om de tijd te doden. Foto-beeldverhalen.

De avondattractie bestaat uit een voorstelling met lichtbeelden in het Romeinse Theater. Het is een gevarieerd programma waar telkens ook een krant aan de beurt komt om te laten zien wat er met een weekend-bijlage kan worden gedaan. Belangwekkend van inhoud en presentatie vond ik die van het Spaanse blad El Mundo. In geweldig tempo werd op het enorme doek een stortvloed aan beelden vertoond ik kan dat niet helpen. 't Was allemaal even enorm en alweer moet ik mijn pet afnemen voor het vakmanschap. Terwijl een zanger op de grammofoonplaat, begeleid door een gitaar, met hese stem Spaanse volksliederen zong, kregen we het allemaal om de oren, voor de kiezen, hoe zeg je het in dit geval. Gorbatsjov, het Plein van de Hemelse Vrede, AIDS, overstroming en hongersnood, nog meer rampen, de Sahel, voetballen, Boekarest, dakloze zuigelingen, meer voetbal en de Berlijnse Muur. Die laatste komt in Arles trouwens meer voor, zo vaak zelfs dat je je even afvraagt hoe het dit jaar met de fotografie zou zijn gesteld als de Muur er eens niet was geweest. De Muur is ons drama, onze geschiedenis-onder-handbereik, onze politieke sensatie, en nu ook: een afgesloten hoofdstuk in onze fotografie.