Revolutionaire groet, maar geen toegang

VRBNICA, 10 juli Er is druk verkeer. De ossewagens, ezels en tractoren met het hooi hoog opgetast op de aanhangwagens veroorzaken voortdurend files.

De de weg naar Vrbnica, een van de weinige 'open' grensovergangen naar Albanie, loopt van Pristina, de hoofdstad van de opstandige provincie Kosovo in Servie, bijna rechtstreeks naar de grens. Iedereen onderweg weet van het verzet van de Albanese meerderheid tegen de Servische autoriteiten in Kosovo. Hoe is onduidelijk, want radio- en televisiestations werken nauwelijks. Toch vraagt iedereen tot in het kleinste dorp: 'Waren er veel stakers in Pristina?'

Op de weg zijn veel wegversperringen. Iedere passant wordt gecontroleerd en moet zijn paspoort en autopapieren tonen. De hele situatie doet denken aan Roemenie vlak na de val van Ceausescu, met dit verschil dat de controles toen werden uitgevoerd door volksmilities op zoek naar gevluchte leden van de Securitate. Hier is het het volk dat wordt gecontroleerd. Het reisdoel is niet het platteland van het Joegoslavische Kosovo, maar het aan deze provincie grenzende Albanie. Langs de ruim 500 kilometer lange grens tussen Albanie en Joegoslavie zijn slechts drie overgangen. Mochten de naar de Westerse ambassades in Tirana gevluchte Albanezen per bus het land verlaten, dan is doorkomst langs een van deze drie grensposten waarschijnlijk. Andere mogelijkheden zijn de grensovergangen naar Griekenland of per boot naar Italie. Dat zij per vliegtuig gaan wordt gezien het grote aantal ambassadevluchtelingen, bijna zesduizend, steeds onwaarschijnlijker. Na het Joegoslavische plaatsje Vrbnica rest slechts een kale weg naar de grens.

Kleine jongetjes van zes a zeven jaar, bezig met het hoeden van koeien, kijken verbaasd op als de auto passeert. De grenspost zelf lijkt uitgestorven. Aan de Joegoslavische zijde zitten twee douaniers pal voor de slagboom in gemakkelijke fauteuils midden op straat. Het duidt niet bepaald op druk grensverkeer. De Joegoslaven zijn allervriendelijkst. Ze willen best de slagboom omhoog doen, maar betwijfelen of de Albanezen aan de andere kant van de grens hetzelfde willen doen. 'Tot over vijf minuten', roept er nog een. Dan is er stilte en verlatenheid. Slechts een Albanese soldaat in een uitrusting van ver voor de Tweede Wereldoorlog houdt de wacht. Het is nog een jonge jongen, blond haar en rode blosjes op zijn wangen. Hij zegt absoluut niets en lacht alleen maar. Soms wijst hij naar het grenskantoor dat achter de grote rode slagboom ligt. Maar verder doodse stilte. Behalve het grenskantoor en enkele bunkertjes in de heuvels is er niets te zien. Plotseling komt uit het niets een soldaat met een kapiteinspet aanrennen. Hij komt door het hekje naast de slagboom, heft zijn vuist in een revolutionaire groet, houdt die enige tijd naast zijn slaap en schudt mij vervolgens de hand. Mijn paspoort bestudeert hij grondig, maar na verloop van tijd schudt hij triest zijn hoofd. Vrolijk heft hij weer zijn vuist naast zijn slaap en schudt wederom een hand. Het bezoek aan Albanie zit erop. Lachend begroeten de Joegoslaven mij weer. Het bezoek heeft inderdaad precies vijf minuten geduurd.