Litaire Tijdschriften

Een harde botsing met Hitler Op het moment is Het Oog in 't Zeil het leukste literair-historische tijdschrift van Nederland. De dikke zomeraflevering van dit jaar is geen themanummer, maar bevat een tiental artikelen over verschillende onderwerpen: Rilke, Vestdijk, Hoornik, Staring, Virginia Woolf en Hermann Kesten.

Kestens oude vriend en vertaler Pieter Grasshoff opent met een artikel over het emigrantenbestaan van Kesten (geb.1900), die nu in een Altersheim in Basel woont. In 1969 verscheen Grasshoffs eerste vertaling van Kesten, Tweelingen, wat een zwaar gemutileerde versie van Die Zwillingen von Nurnberg was de vertaler schrapte omwille van de drukkosten 300 bladzijden politiek maar voegde er wel nog wat extra erotiek aan toe, 'vier bladzijden Millerachtige passages'.

Het opmerkelijkste van dit geval is wel dat Kesten er zomaar mee accoord ging. Verder is Grasshoffs verhaal een aaneenschakeling van meer of minder interessante anekdotes over Bertold Brecht, de zelfmoord van Ernst Toller, het ruime drankgebruik van emigranten-uitgever Gerard de Lange, en het verwarde bestaan van Europese kunstenaars omstreeks 1940. Ruth Wolf schrijft onder de titel 'De liefde die niet wil bezitten' over de liefdesverhouding tussen Rainer Maria Rilke en Baladine Klossowska, 'Merline'. Ook zij raakte verbitterd door zijn heftige en tegelijk afstandelijke gevoelens 'Je zegt dat ik in alles ben; overal, lieveling, zoals de doden nog een zekere tijd voortleven in de kamers waar ze hebben vertoefd meer niet.'

Van haar leven na Rilke's dood in 1926 is niets bekend. E. W. A. Henssen werkt aan een biografie van de speelse rechtshistoricus mr. H. J. Scheltema (1906-1981), die zijn literaire werk publiceerde onder onder andere het pseudoniem N. E. M. Pareau. Het Oog publiceert twee van Pareau's lezingen, 'Crocus en kuiskruid' (1974) en 'Graftuil voor Staring' uit 1940. Vermoedelijk zou een stukje uit de biografie meer tot de verbeelding gesproken hebben. Opvallend veel aandacht gaat in het Oog weer uit naar Duitse schrijvers die hard botsten met het Hitlerregime. Hubert van den Berg publiceert over de communist Franz Jung die in 1921 in Nederland gevangen zat; Wanne de Bie analyseerde Berlijn-reportages uit de (klater)gouden jaren twintig van Franz Heel, Siegfried Kracauer en Bernard von Brentano.

Van Jaap Harskamp, auteur van Hoeren en heren in de literatuur en Lof der zwakheid (over tabak en literatuur, najaar 1990), schrijft in dit nummer over decadentie, creativiteit en ziekte. 'De literaire kritiek wemelt van (medische) simplificaties', stelt Harskamp dreigend, wee degene die van alles wil ophangen aan de lichamelijke kwalen van musici en schrijvers de tbc van Lawrence, Chopin, Weber en zoveel anderen, de syphilis van Beethoven of de druiper van James Boswell.

Het Oog in 't Zeil, jrg. 7 nr. 5/6, juni-aug. 1990. Uitg. Bert Bakker, 68 blz. fl. 12,50. Katastrojka in het morgenland'De ondergang van het morgenland' Karel van het Reve blikt in Hollands Maandblad triomfantelijk terug op de Sovjetjaren. Maar de voldoening komt niet alleen, 'die zaligheid wordt natuurlijk geducht getemperd door bange voorgevoelens'. Liever dan bezorgd in de toekomst te kijken onderzoekt Van het Reve de geheimzinnige kracht die het communistische bewind vanaf 1917 in het zadel hield. Toen Chroesjtsjov in 1953 een punt zette achter de Stalinistische terreur begon het einde van het Sovjetrijk, zegt Van het Reve eenvoudig. De glasnost en perestrojka ('katastrojka') zullen de communistische ideologie, economie en cultuur uithollen tot er niets meer van het systeem over is.

Rechts kraait nu dan wel victorie en lacht, maar zal nog eens in zijn vrijheid stikken Gerard Koolschijn heeft het in dit dubbelnummer over de toekomst van het socialisme, 'Onbegonnen werk'. Indammen van de 'ongerichte economische groei' met al zijn kwalijke bijverschijnselen is de taak van links, maar geen enkele nieuwe ideologie ziet er sterk genoeg uit, vreest hij. 'Weliswaar is de cultuur vermoedelijk beter af met rechts, maar een keus voor cultuur komt voor mij onder de huidige omstandigheden neer op het besluit om in schoonheid te sterven.'

De liefdesgedichten van Agnes de Graaf (opgetogen) en Paul van Capelleveen (somber) zijn mooi. Het mooist in dit nummer is het korte stukje van Toon Tellegen over het Duivenkerkhof in Petersburg, waar alleen mensen begraven mochten worden die aan een heel merkwaardige, zeldzame kwaal hadden geleden. Houtzucht, vier goede armen, twee paar ogen in een hoofd na 1917 is er niemand meer op het Duivenkerkhof begraven. 'In een maxistische staat gaat men niet dood aan bijzondere oorzaken.' Hollands Maandblad, 1990/5-6, 58 blz. fl. 12,50.

De lachende kop van Vaclav Havel

Ook de mensen achter het Tijdschrift voor Slavische Letteren hadden toen ze het blad een paar jaar geleden oprichtten niet kunnen vermoeden dat ze zo gauw hun handen zo vol zouden krijgen aan ooggetuigenverslagen uit Oost-Europa.

Redacteur Kees Mercks bezocht Praag in december. 'Kunnen nog steeds onze ogen niet geloven wanneer we juist daar, waar vroeger de rode strengheid heerste, de lachende kop van Havel op affiches zien.'

Mercks ging langs bij verschillende schrijvers van wie hij boeken vertaalt, maar eigenlijk hadden ze geen tijd voor hem. Dichter/zanger Jaroslav Hutka, Ludvik Vaculik, Ivan Klima, Vaclav Havel hard bezig met geschiedenis maken. In een ander stuk, over Karel Capek, merkt Mercks op: 'Literatuur loopt als een zilveren draad door de Tsjechische geschiedenis'. Hij vindt niet dat de literatuur lijdt onder de betrokkenheid van schrijvers bij politieke hervormingen.

Gerard Rasch bekeek de veranderingen van de laatste tien jaar in de poezie van Polen, het land waar de hervormingen begonnen en het langste duurden. Dichters, tenminste degenen die niet opgeslorpt werden door 'plichten en lasten en geneugten van het openbare leven' kunnen eindelijk, eindelijk het engagement laten verflauwen. Voorzichtig doet een individualistische benadering haar intrede. Het communisme is uit de poezie verdwenen, nu ook het verzet ertegen. Wat blijft: 'het verwoeste landschap, een enorme vermoeidheid en onzekerheid ten aanzien van de toekomst, een onderhuidse spanning dat er iets moet veranderen, een bodemloos verlangen naar een gewoon, eigen leven, een hunkering naar het transcendente'. Jan Polkowski: 'Dit is een prachtig naakte en onmerkbare volheid./ Nooit meer (het gaat voorbij ik weet het)/ alles (het gaat voorbij), alles in dit ogenblik/ waarin (je vergat te leven).' Anne Pries schrijft over Lidia Tsjoekovskaja, onlangs gerehabiliteerd schrijfster en bezorgster van Achmatova's werk; Otto Boele over Michail Artsybasjev (1878-1927), schrijver van de 'immorele roman' Sanin met een losbandige, nihilistische levensgenieter als hoofdpersoon (nog steeds in de SU verboden); Wim Coudenys en Cees Willemse keken naar de receptie van Russische literatuur in het katholieke Vlaanderen en bij de Nederlandse slavist Van der Mey. Verder werd een interessant vraaggesprek opgenomen van Jelena Joedkovskaja met Vjatsjeslav V. Ivanov, taalkundige en direkteur van een grote bibliotheek in Moskou. Het gaat, uiteraard, over de plaats van de maatschappij in de kunst. Ivanov gelooft niet erg dat het speelse, vaak ironische avant-gardisme in Rusland opnieuw van de grond zal komen 'omdat we zo zwaar op de hand zijn, soms bij het belachelijke af'.

Hij heeft het wel over de 'Russische diaspora', daarmee Nabokov en Brodski weer binnenhalend, maar ziet geen probleem in de grote verdeeldheid binnen de Sovjet-Unie. 'Een grote staat kan weerzin oproepen, maar een grote cultuur zal slechts aantrekkingskracht uitoefenen.' TSL nr. 7, juni 1990. 80 blz. fl. 9,50, Spuistr. 210 Amsterdam.

    • Margot Engelen