Indonesische vrees voor 'het gele gevaar'

JAKARTA, 10 juli Het 'gele gevaar' is weer in aantocht. Zo zien sommige Indonesische militairen de hernieuwde toenadering tussen Jakarta en Peking. Niemand heeft zich openlijk tegen Soeharto's plan gekeerd na 25 jaar opnieuw diplomatieke betrekkingen aan te gaan met de Volksrepubliek China, maar coordinerend minister voor politiek en veiligheid, ex-admiraal Sudomo, heeft het publiek wel fijntjes gewaarschuwd 'alert te blijven voor de gevaren van een herlevend communisme'. Het waren de Strijdkrachten van de Republiek Indonesie (ABRI) die op 1 oktober 1965 een einde maakten aan wat hier wordt beschouwd als een door Peking gesteunde poging tot staatsgreep, waarbij zes ABRI-generaals het leven lieten. Generaal Try Sutrisno, de huidige chef-staf van de Indonesische strijdkrachten zei een dezer dagen, voorafgaande aan een kabinetszitting de chef-staf pleegt die bij te wonen dat 'de ABRI inmiddels bereid is het herstel van de diplomatieke betrekkingen met de Volksrepubliek China te steunen; de strijdkrachten zullen de uitvoering van de regeringspolitiek in deze garanderen'.

Sutrisno zei dat Indonesie 'na al deze jaren over een aanzienlijk grotere nationale weerbaarheid beschikt' en normalisering van de relaties met China is voor hem geen reden tot zorg. Daarmee lijken Soeharto en zijn minister van buitenlandse zaken Ali Alatas, de architect van de nieuwe Chinapolitiek, te beschikken over de noodzakelijke rugdekking van het leger. In die kringen bestaan echter ook reserves. Sudomo, gepokt en gemazeld in het leger, meent dat Indonesische Chinezen, die na de gebeurtenissen van 1965 naar China zijn gedeporteerd, opnieuw zullen proberen Indonesie te infiltreren. Ook uit de Kamer van Volksafgevaardigden (DPR), het Indonesische parlement, klinken uiteenlopende geluiden. Meteen na de bekendmaking van het nieuws uit Peking noemde Marzuki Darusman, woordvoerder voor politieke en veiligheidszaken van de regerende Golkar-partij, de overeenstemming met China een 'grote diplomatieke prestatie van Indonesie'. Herstel van normale diplomatieke betrekkingen met China 'draagt bij aan de stabiliteit in Azie', aldus Marzuki.

Dr. Jailani Naro, een invloedrijk woordvoerder van de islamitische Partai Persatuan Pembangunan, een van de drie toegelaten partijen, waarschuwde in een vraaggesprek met de Jakarta Post dat 'de gebeurtenissen van 1965 zich niet mogen herhalen.'

Naro vervolgde: 'Technische voorzorgsmaatregelen, met name op veiligheidsgebied, moeten worden geintensiveerd en immigratieprocedures moeten worden verstrakt. Zij (Chinezen) mogen nooit terugkeren om problemen te veroorzaken.' Tijdens een bijeenkomst van de vaste kamercommissie voor politieke en veiligheidszaken, gisteren, kwam het tot een levendige woordenwisseling tussen de minister van defensie, generaal b.d. Benny Moerdani, en een parlementslid. Moerdani hield de commissie voor dat 'de regering het besluit tot normalisering van de betrekkingen met China heeft genomen na zorgvuldige afweging van alle relevante aspecten'.

Hij vond het daarom 'niet nodig om nog langer te blijven stilstaan bij oude kwesties'.

Volgens de minister paste de toenadering tot Peking in de nieuwe internationale verhoudingen. 'Op de drempel van de jaren negentig zien we grote veranderingen, zoals de val van het communisme en de apartheid, die recht doen aan de menselijke waardigheid', aldus Moerdani. Het besluit van de Indonesische regering om de betrekkingen met Peking te normaliseren beschouwde hij als een 'zoveelste stap op de weg naar wereldvrede'.

Daarop kreeg Susatyo Mardi, een afgevaardigde van Soeharto's Golkar-partij, het woord. Hij zei zich nog goed te herinneren dat 'de Chinese bevolkingsgroep nauwelijks te lijden had onder het Nederlandse kolonialisme en de kolonisator zelfs steunde tegen de Indonesiers'.

Minister Moerdani beaamde hierop dat er 'enkele Chinezen waren die dit hadden gedaan', maar dat er 'ook velen waren geweest die vrijwillig dienst hadden genomen in het nationalistische leger'.

In de publieke discussie wordt veelvuldig een verband gelegd tussen de staatkundige betrekkingen met de Volksrepubliek China en de positie van de vijf miljoen etnische Chinezen in Indonesie (drie procent van de bevolking). Het zakenleven, dat voor een belangrijk deel in handen is van etnische Chinezen, steunt Soeharto's beslissing om de betrekkingen met Peking aan te halen van harte. De Chinese directeur van een middelgrote handelsfirma in Jakarta, zegt: 'Voor mij is dit heel goed. Ik kan de Chinese markt binnendringen door gebruik te maken van mijn familierelaties'. Indonesische zakenlieden van niet-Chinese afkomst vrezen nu dat om deze reden vooral de etnische Chinezen in Indonesie zullen profiteren van een opleving van de handel met de Volksrepubliek. Gatot Soewagio, een DPR-lid voor de regeringspartij Golkar en tevens president-directeur van de Dayak Besar Groep, vertolkte deze bezorgdheid toen hij de 'pengusaha keturunan' (zakenlieden die niet beschikken over het Indonesische staatsburgerschap, de gebruikelijke term voor Chinese ondernemer) onlangs beleefd uitnodigde hun 'Indonesische nationale gevoel te versterken'.