Het gewicht van Belgie

't Is niet voor de eerste keer dat ik het vertel: een jaar of tien geleden kwam een Franse diplomaat, pas in Den Haag geaccrediteerd, mij opzoeken. Na de eerste plichtplegingen vroeg hij plotseling: 'Wordt er in Nederland wel eens nagedacht over de gevolgen van een eventueel uiteenvallen van Belgie? Mijn eerste antwoord 'Nederland denkt nooit na over Belgie' is minder interessant dan het kennelijke feit dat die diplomaat die vraag niet zomaar stelde. Hij was duidelijk om een boodschap gestuurd. Met andere woorden: in Frankrijk wordt er wel over Belgie nagedacht, meer in het bijzonder over de veranderingen die een uiteenvallen van Belgie op de Europese kaart anders gezegd: in de Europese machtsverhoudingen teweeg zouden brengen.

Ik moest aan dit voorval denken toen ik in de krant van 4 juli op deze pagina het artikel van Paul Belien las, waarvan de teneur is: 'Frankrijk heeft zich duidelijk tot doel gesteld de gewichtstoename van Duitsland te compenseren door het eigen economische gewicht op te drijven. Het kan daarvoor maar een richting uit: naar het noorden, een economische Anschluss van Belgie.' Belien staaft deze bewering met verscheidene voorbeelden, waarvan het voornaamste is dat de Generale Maatschappij van Belgie, 'slands belangrijkste houdstermaatschappij, sinds twee jaar in handen van de Franse holding Suez is, die daarmee een derde van de totale Belgische economie, met inbegrip van bijna de hele haven van Antwerpen en 95 procent van de Belgische elektriciteitsproduktie, beheerst. De Franse economische belangen, aldus Belien, bestrijken dus geheel Belgie, niet uitsluitend Brussel en Wallonie. Frankrijk heeft daarom geen belang bij het staatkundig uiteenvallen van zijn noorderbuur. Of zoals Belien retorisch vraagt: 'Waarom zou Frankrijk genoegen nemen met Wallonie als het Vlaanderen erbij krijgt, zeker wanneer het erop aankomt tegenover Duitsland zo sterk mogelijk te staan?' Ook wanneer we over geen andere gegevens beschikken dan die welke Belien ons verschaft, kunnen we vaststellen dat zo'n Franse politiek geheel in de rede zou liggen: een tegenwicht scheppen tegen de machtstoeneming van Duitsland. Maar niet alleen in de rede, ook in de traditie: Louis-Philippe heeft al in 1830 gepoogd zij het vergeefs Belgie in te lijven; Napoleon III sprak openlijk over dat land als 'een rijpe peer die ons eens in de mond zal vallen'. Het verschil met toen is dat Frankrijk daarvoor nu niet meer Belgie staatkundig hoeft in te lijven. De Europese economische integratie, die de staatkundige soevereiniteiten meer en meer tot lege hulzen maakt, maakt dit overbodig. Het gaat niet meer om het veroveren van gebied, maar om dat van economische machtsposities. Als Frankrijk zo'n positie in Belgie zou proberen te vestigen, zou dat bovendien volstrekt legitiem zijn. Ook dat is een verschil met vroeger.

Wie tegen zo'n Franse expansionisme bezwaar heeft, kan niet volstaan met klagen. Hij moet er een eigen beleid tegenover stellen. Het is denkbaar dat Nederland, dat vanouds de stelregel Gallia amica, sed non vicina (Frankrijk vriend, maar geen buur) volgde, een Frans opdringen naar zijn zuidgrens bedenkelijk zou vinden. Welnu, het voere zelf een actieve politiek met, ten opzichte van en in Belgie.

Maar hier wreken zich enkele oude Nederlandse hebbelijkheden. In de eerste plaats hebben wij, anders dan de Fransen, nooit geleerd de economie (of de cultuur of de strijdmacht of wat dan ook) te beschouwen als instrument van de 'grote politiek'. Integendeel, eerst als koopmansnatie, later als neutrale natie zagen wij er een deugd in, die elementen juist strikt gescheiden te houden. Een politiek a la francaise ten opzichte van Belgie zouden we dus niet kunnen voeren, zelfs als we dat zouden willen.

In de tweede plaats heeft de Nederlandse diplomatie de neiging Belgie te verwaarlozen. Net zoals in studentencorpora jongerejaars vaak liever gezien worden in gezelschap van gewichtige ouderejaars dan met minder gewichtige eigenaars, zo cultiveert onze diplomatie liever de directe contacten met de groten dan met de kleinen. Met welk effect? Dat hebben we bij de kandidatuur-Ruding gezien. Engeland en Duitsland hebben Nederland, tegen hun toezeggingen in, in de steek gelaten.

Met zulke situaties zal Nederland steeds meer geconfronteerd raken. Het is immers duidelijk dat de 'groten' en dan in het bijzonder de groep van zeven grote industriele landen (waartoe, de hemel mag weten waarom, ook Italie en Canada behoren) steeds meer besluiten nemen die ook andere landen raken. Maar dat niet alleen: ook onderling de prijzen, zoals de posten waarop Nederland Ruding kandidaat had gesteld, verdelen.

Wat kan Nederland daartegen doen? In de eerste plaats zou het, bijvoorbeeld in het geval van zo'n kandidatuur, zaken in het geding kunnen brengen die er niets mee te maken hebben, maar waarin anderen afhankelijk zijn van Nederlands medewerking. Zo'n oneigenlijke verbinding wordt in Nederland over 't algemeen niet fatsoenlijk gevonden, maar andere landen doen het onbeschroomd. De vraag is echter of Nederland het kan. Het vergt en ervaring (die wij op dit gebied niet hebben) en een centrale besluitvorming (die wij ook niet hebben). In de tweede plaats zou veel inniger samenwerking met de 'kleinen' voor de hand liggen. En dan natuurlijk vooral met Belgie. Maar hier is het de vraag of het daarvoor niet al te laat is, want als we Belien mogen geloven is Belgie al vrijwel in Franse hand. Als dat zo is, dan mag Nederland Belgie wel extra dankbaar zijn dat het ons in de kandidatuur-Ruding zo gesteund heeft.

    • J. L. Heldring
    • Dezer Dagen