HANS FAVEREY 1933-1990 Jaloers op de componisten

Zondag overleed in Amsterdam op 56-jarige leeftijd Hans Faverey. Met hem verloor de Nederlandse literatuur een groot dichter en ook een groot voorbeeld. Faverey vertegenwoordigde een norm, een maatstaf voor een bepaald soort poezie. Men kon 'het heel anders doen dan Faverey' en men kon 'zich van Faverey verwijderen'; men kon ook 'opschuiven in de richting van Faverey', maar men kon hem moeilijk evenaren.

Faverey was een ijkpunt, en wat men door naar Faverey te verwijzen ijkte was iemands graad van zuiverheid. Hij schreef wat men wel noemt 'zuivere poezie', een term die ongelukkige associaties kan wekken. Men spreekt ook wel van 'witte poezie' of 'betekenisloze poezie', termen die zo mogelijk nog meer misverstanden oproepen, maar die wel duidelijk maken dat het hem om iets tegenstrijdigs en onmogelijks ging. Hij was een dichter met een onmogelijk ideaal, een dichter die wel gewild had dat woorden geen betekenis hadden een dichter die wel componist had willen zijn. In een van zijn weinige interviews bekende Faverey eens 'verschrikkelijk jaloers' op die componisten te zijn; 'Die zitten niet aan die verwijzingen vast. 'Faverey wel, maar dat heeft hem er niet van weerhouden een heel oeuvre (vijfhonderd gedichten) lang te doen alsof het niet zo was. Zijn gedichten kunnen (zo heeft Rein Bloem, de promotor van Favereys poezie, opgemerkt) vergeleken worden met muziekstukken, waarin klank en ritme, variaties en herhalingen, hernemingen en afbrekingen de boodschap (die er dus niet is) overbrengen. Faverey's gedichten willen niets meedelen, ze willen niet de beschrijving van iets anders zijn, maar zichzelf: een 'ding', om zijn eigen aanduiding te gebruiken, en wel een mooi ding.

'Een kunstenaar maakt dingen die uitstekend kunnen bestaan zonder dat er gebruik van wordt gemaakt', zei hij in 1988. Moet zijn werk een plaats toebedeeld krijgen, dan tussen de groten. Het hoort thuis in de 'zuivere' traditie van Mallarme, en in de Nederlandse variant ervan: Gorter, Leopold, Van Ostaijen en Kouwenaar, met wie hij vaak in een adem wordt genoemd, al zijn de verschillen groot. Faverey nam vooral een eigen en unieke plaats in, en dat was al zo bij zijn debuut in 1968. Zijn poezie was herkenbaar: een poezie van reeksen, met een heel eigen strofering en syntaxis, met typische Faverey-woorden als 'rivier', 'oever', 'strand', 'roeiers', 'dolfijnen', 'ijsvogels' en met een onnavolgbare redeneertrant die zich kenmerkte door een stevig gebruik van de paradox en de tautologie. Met deze middelen bestreek hij een gebied dat zich maar moeilijk liet begrenzen; het strekte zich uit van mystieke gedachten over de dood en vergankelijkheid tot laconieke humor. Zo kan een gedicht van Faverey beginnen: Ik besta, dus ik lieg.// Zodra ik besta, begin ik/ te beoefenen wat zich verbergt/ doordat ik begin te spreken. Maar ook zo: Om het rolgordijn 'smorgens/ omhoog te kunnen laten vliegen, / moet iemand het 'savonds hebben/ neergetrokken.

Het heeft lang geduurd voordat Faverey in iets bredere kring erkenning vond. Het heeft zelfs niet veel gescheeld of zijn werk was voor een groot deel ongelezen en misschien zelfs wel ongeschreven gebleven. Tussen 1953 en 1957 schreef hij helemaal niets: 'Ik vond het niet goed, ik vond muziek mooier.' Pas in 1962 verschenen er tien gedichten in Podium, maar hij moest vervolgens vijf jaar wachten voordat hij in Raster opnieuw een geschikt tijdschrift vond, en in De Bezige Bij een uitgeverij voor zijn debuut Gedichten. Die bundel, hoewel bekroond met de Amsterdamse Poezieprijs, kreeg maar weinig aandacht, nog minder lezers en belandde al spoedig in de ramsj. Zijn tweede bundel, Gedichten2 (1972), verging het niet veel beter. De waardering kwam pas bij zijn derde bundel Chrysanten, roeiers (1977): vrij plotseling, maar ook meteen vrij massaal, voorzover men daarvan bij poezie kan spreken. De kritiek was enthousiast, op het ongelovige af, men begon met terugwerkende kracht het bijzondere van het vroegere werk in te zien, de bundel werd herdrukt en bekroond met de Jan Campertprijs. Wat de doorslaggevende redenen voor deze omslag waren, valt moeilijk te zeggen: de gewenning, de aandacht van Fens en Bloem, de grote indruk die Faverey met zijn voordracht gemaakt had en waarschijnlijk toch ook de verandering die de poezie zelf had ondergaan. De uitgangspunten mochten dan gelijk zijn gebleven (Faverey: 'Ik schrijf eigenlijk altijd dezelfde paar gedichten'), toch was deze derde bundel minder talig, minder karig en minder abstract dan zijn twee voorgangers. Deze toegenomen toegankelijkheid zette zich door in de volgende bundels (Lichtval, 1981; Zijden kettingen, 1983; Hinderlijke goden, 1985; Tegen het vergeten, 1988) en is, begrijpelijkerwijs, het grootst in de onlangs verschenen bundel Het ontbrokene, die geschreven werd in het besef van de naderende dood. De waardering en bewondering is al die tijd hoog gebleven, zoals kan blijken uit de toekenning dit jaar van de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele oeuvre, maar misschien nog beter uit zijn invloed op het werk van andere dichters. De poezie van generatiegenoten als Bernlef en Kopland begon aan het eind van de jaren zeventig Faverey-sporen te vertonen. Hij vormde voor jongere dichters als Tentije, Nijmeijer, Zonderland en Beurskens een norm. Het werk van beginnende dichters als Bos, Bude, Reugebrink, Van Wouten en Van Daalen is ondenkbaar zonder dat van Faverey.

Het is moeilijk in de verleden tijd over Hans Faverey te schrijven. Hij schreef geen proza, geen toneel, geen essays. Hij vertaalde niet. Hij had een hekel aan interviews. Hij schreef: vijfhonderd gedichten. Acht bundels. Sobere vormgeving. Geen illustraties, geen foto's, geen flapteksten. Hij was een echte dichter. Zijn poezie is echte poezie. 'Ik probeer iets te maken dat het langer uithoudt dan ik zelf.'

    • Guus Middag