Half ei

BIJNA ONOPGEMERKT is een revolutie in de veiligheidszorg aan de gang: een toenemende vervlechting van politie en particuliere beveiliging. De een brengt wettelijke bevoegdheden in, de ander extra mankracht. Deze ontwikkeling komt niet uit de lucht vallen. Onlangs werd de eerste slachtoffer-enquete onder het Nederlandse bedrijfsleven gepubliceerd. Dit bleek iets meer dan de helft van de veel voorkomende criminaliteit voor zijn kiezen te krijgen (jaarlijkse kosten: ruim vijf miljard gulden), maar het toezicht schiet zeker voor bepaalde typen van delicten nog duidelijk te kort. Dit is een voedingsbodem voor publiek-private politiesamenwerking, waarvoor zojuist ook een stichting is opgericht.

De keerzijde is dat deze samenwerking al gauw een inbreuk maakt op de burgerlijke vrijheden in dit land. 'Er is een dringende behoefte', constateerde J. M. Reijntjes vorig jaar in zijn oratie aan de Open Universiteit, 'aan toezicht op de toezichthouders, met name op de legaliteits- en behoorlijkheidsaspecten van hun bezigheid.'

Er is groeiende consensus dat de bestaande wetgeving (de Wet op de Weerkorpsen die in de jaren dertig tot stand kwam met het oog op fascistische stormtroepen van die tijd) tekortschiet voor deze opdracht. Een nieuwe wet op de particuliere beveiliging staat op het programma, maar daar hebben we natuurlijk weinig aan bij het normeren van de samenwerkingsvormen die thans van de grond komen. EEN EI VAN Columbus dient zich echter aan: 'raamcontracten' waarin lokale stichtingen van belanghebbenden (gemeente, politie, bedrijfsleven) samenwerkingsafspraken maken met de particuliere beveiliging. Het industrieterrein De Grote Polder in Zoeterwoude is een proeftuin. In een recente beschouwing noemt de procureur-generaal en hoogleraar politiestudies A. Heijder dit 'een goede manier om, in elk geval onder de huidige wetgeving, de particuliere beveiliging goed te controleren'.

Dit oordeel is in meer dan een opzicht voorbarig. Om te beginnen kan de huidige wetgeving moeilijk gelden als aanbeveling voor het contract nu zij manifest tekortschiet. Prof. Heijder heeft afgezien van een grondige juridische analyse van het proefpoldercontract, maar reeds zijn summiere weergave stemt niet tot gerustheid. Neem de klachtenprocedure: klachten die bij de stichting binnenkomen worden doorgegeven aan de gecontracteerde beveiligingsdienst. Deze moet de politie op de hoogte stellen van de klacht en de wijze van afhandeling. Verdient dit nu de kwalificatie 'belangrijk'? Het lijkt eerder een afschuifsysteem. Een actieve handreiking naar de bezwaarde (geintimideerde) burger ontbreekt. Extern toezicht eveneens. De politie krijgt in het contract ook 'een belangrijke rol in de instructie en begeleiding van de particuliere employes' toebedacht, onder meer ten aanzien van 'kennis van plaatselijke toestanden'.

Zonder nadere adstructie vormt dit niet direct een antwoord op het zogeheten 'dirty work-argument'. Dat is het gevaar dat de toenemende vervlechting wordt gebruikt om particuliere beveiligers in te zetten in schemergebieden van de publieke rechtshandhaving. Met name het garen en verwerken van informatie over personen is zo'n gebied.

DE AANGEPREZEN overeenkomst vormt naar haar aard bovendien geen stimulans voor zelfonderzoek. Toch is dat nodig. Uit de bedrijvenenquete blijkt bijvoorbeeld dat ondernemingen nog vaak te kort schieten in het treffen van elementaire voorzorgen ten aanzien van hun vervoermiddelen, hoewel die een voornaam doelwit van criminaliteit zijn. Op zijn minst zozeer als op de uitbouw van een moeilijk controleerbaar bewakingslegioen duiden dergelijke bevindingen op de noodzaak potentiele slachtoffers beter te wijzen op (en te helpen met) hun eigen verantwoordelijkheden. Ook ten aanzien van de opdrachtgevers zelf dient de samenwerking niet vrijblijvend te zijn wil men werkelijk ernst maken met de risico-analyse die aan iedere aanpak vooraf dient te gaan. Juist op dat gebied lenen de contacten tussen politie en bedrijfsleven zich voor verbetering. Er zijn reeds allerlei overlegorganen en platforms in de maak waarin bedrijfsleven en politie beter aan elkaar kunnen wennen. Zonder aan het nut daarvan af te doen geldt ook voor de prioriteitsstelling in de criminaliteitsbestrijding de noodzaak van een adequate publieke controle. Het moet geen onderonsje worden. Ook dit onderstreept de prioriteit van toezicht op de toezichthouders.