Weemoed en geluk in rauwe blues van Maisha Grant

Een van de mooiste regels uit de Amerikaanse literatuur is: 'When the sun goes down the blues come around.'

Probeer maar eens 'the blues' te vertalen. De Amerikaanse zwarte zangeres Maisha Grant gaf aan het begin van haar opzwepende optreden een definitie van de blues: de blues heeft van doen met 'the facts of life'. Welke die feiten zijn, mag ieder voor zichzelf invullen. Wanhoop, melancholie, verliefdheid. Met haar omvangrijke lichaam vol weemoed, geheel gehuld in het zwart, en met een weidse stem waarin klacht en muzikale gelukservaring prachtig combineren, wist ze in enkele tellen Paradiso aan haar voeten te dwingen. Zij zong de blues niet, ze belichaamde de blues, geperfectioneerd met lome heupbewegingen en begeleid door de slepende ritmiek van haar band. De drummer van haar band, Felix 'Youngblood' Astor, opende haar optreden met een vervoerende versie van het altijd weer onthutsende B. B. King- nummer The Thrill is Gone. In de rauwe, ongepolijste maar muzikaal uiterst beheerste stem van Maisha Grant klonken de blues zoals ze behoort te zijn: het levenslied van desperado's, hunkerend naar een huis en liefde, de stem rauw van dorst gelest met bourbon. De legendarische Bo Diddley moest Paradiso wegens ziekte afzeggen. In zijn plaats trad de Texaanse blueszanger en gitarist Johnny Copeland op, geflankeerd door een band met saxofoon, gitaar, drums en bas. De sax scheurde er in de diepe registers erotisch op los; de klanken woelden in je lichaam rond. De basspeler vormde een onverwoestbaar, indringend gespeeld bluesschema onder Johnny Copeland en de zijnen. Copeland zelf, een geconcentreerd optredende zwarte muzikant met hoekige motoriek, overtrof volgens een van de toehoorders zelfs Bo Diddley. Copelands ruim een uur durende, intense versie van We Have to Rock groeide uit tot een majestueuze tempel voor de blues en tot een hommage aan Diddley, getuige het refrein 'Bo have to Rock'. Dansen konden we op Johnny Copeland; wie niet zijn of haar gezelschap omarmde op de trage en intieme ritmiek van de blues, werd wel door de muziek zelf omstrengeld.

Hoe kil en afstandelijk was het optreden van Salena Jones en Astrud Gilberto een avond later in Carre, vergeleken met de elektrificerende atmosfeer in Paradiso. Zelfs het befaamde It don't Mean a Thing if it Ain't Got that Swing kwam niet tot leven, miste ziel. Salena Jones is ontegenzeggelijk een zuiver vocaliste, maar haar stem is te mooi en te vloeiend om de blues, want die zong ze, de pijn mee te geven zoals Maisha Grant of Billie Holiday dat kunnen. Toch waagde ze zich aan The Man I Love, en helaas, de prachtige regel 'a home from wich I do not roam' klonk wat schetterend.

Voor Astrid Gilberto waren de verwachtingen hoog gespannen, maar de teleurstelling was groot. Aan het slot klonk het applaus flauwtjes, er waren protesten. Natuurlijk, ze zong The Girl from Ipanema, maar eerder uit plichtsbesef dan uit hartstocht. Ze excuseerde zich bijna voor dit befaamde, ooit met Stan Getz opgenomen nummer door hardop te vragen: 'Why not?' Ze was gekleed in een zwarte, wijd vallende broek en daarop een gazen blouse. Een tengere, wat beduusde verschijning. Haar stem was mooi en melodieus, maar het zwoele ervan gecombineerd met de Braziliaanse muziek die ze speelt leidde niet tot de verwachte bedwelming. Lag het aan Carre? Die zaal met zijn vaste stoelen? Er werd niets afgebroken. Carre bleef keurig liggen aan de oer-Amsterdamse Amstel, ondanks de jazzy blues van Salena Jones en de bossa nova en samba van Astrud Gilberto. Paradiso leek daarentegen een avond eerder een vrij rondzwevende muziektempel te zijn, die met Maisha Grant en Johnny Copeland moeiteloos in het zwampige zuiden van de VS neerdaalde.