Oesterziekte bezorgt Zeeuwse vissers grote schade

YERSEKE, 9 juli 'Oesters kweken? Dat was tot nu toe goud scheppen', zegt een oesterkweker uit Yerseke. Maar de pot met goud is leeg. Van de platte oesters in het Zeeuwse Grevelingenmeer is 80 tot 90 procent besmet met Bonamia ostrea. De dodelijke spierziekte die dit eencellig organisme veroorzaakt is niet te bestrijden. 'Het zal vanaf nu wel gebeurd zijn met de teelt van de platte oester', meent R. Dijkema van het Rijksinstituut voor Visserijonderzoek (RIVO). De oesterkwekers in Yerseke schatten de schade op 'vele miljoenen guldens'.

Pas in september wordt bekend hoe groot de strop precies is, want dan begint officieel het oesterseizoen als er tenminste een oesterseizoen is. Omdat de platte oester al sinds najaar 1988 besmet is, hielden de kwekers rekening met een halvering van de oogst. Maar de slechte kwaliteit van water en bodem van de Grevelingen heeft vermoedelijk de sterfte versneld.

Vorig jaar vingen zestien oesterkwekers in Zeeland vijftien in Yerseke en een in Bruinisse in totaal tien miljoen platte oesters. Ze telen ook een andere oestersoort in de Zeeuwse wateren, de Japanse creuse. Deze soort, waarvan er vorig jaar negen miljoen werden opgevist, is niet vatbaar voor de Bonamia.

Van de Nederlandse oestervangst wordt 90 procent uitgevoerd naar landen als Belgie, Frankrijk, West-Duitsland en Spanje. Die export, vorig jaar 1.620 ton, was 16,6 miljoen gulden waard, aldus het Produktschap voor Vis en Visprodukten in Rijswijk. Afhankelijk van het seizoen verdienen ongeveer 45 vissers en kwekers in Zeeland hun geld met oesters.

Op zijn kantoor in Yerseke wijst oesterkweker M. Scheele, tevens voorzitter van de Vereniging ter Bevordering van de Oestercultuur Ostrea, naar de foto van zijn grootvader. 'Hij begon al met oesters in 1885.'

Hij herinnert zich dat de Zeeuwse platte oester al eerder, in 1963, met uitsterven werd bedreigd. Door een strenge winter was het verlies toen 95 procent. De Zeeuwse kwekers, van oudsher geconcentreerd in Yerseke, importeerden daarna oesters uit Frankrijk. Via dit land kwam aan het eind van de jaren zeventig de Bonamia naar de Oosterschelde, waar in die tijd nog volop werd gekweekt. De ziekte verlamt de spieren van de oester. Zij laat haar schelpen los en spoelt dood weg.

In 1982 stierven de platte oesters in de Oosterschelde massaal. De kwekers weken uit naar de 11.000 'natte' hectaren van de Grevelingen. Daar was een paar jaar eerder de originele Zeeuwse oester herontdekt. Nu pachten de zestien kwekers er gezamenlijk 500 hectare aan oesterpercelen van de overheid. Ook daarbuiten wordt gevist, maar een deel van die opbrengst is voor het Rijk.

Twee jaar geleden kwam de spierziekte via de Oosterschelde naar de Grevelingen. Vissersboten mochten sinds 1982 niet langer zonder een uitgebreide schoonmaak heen en weer varen. 'Maar die eisen kun je natuurlijk niet aan plezierboten stellen', suggereert Scheele. Bovendien staan beide wateren via sluizen met elkaar in verbinding.

Scheele vermoedt dat zijn kwekerij, met tussen 15 en 20 mensen aan personeel, de financiele klap gedeeltelijk kan opvangen door de handel in mosselen en de creuse. De Japanse oester mag echter bestand zijn tegen de Bonamia, ze levert ook minder op. Voor een creuse betaalt de groothandel 30 tot 60 cent per stuk, afhankelijk van het gewicht. Een platte oester wordt verkocht voor een a twee gulden.

De meeste oesterboeren in Yerseke kweken en verkopen net als Scheele nog andere zeeprodukten: mosselen of kreeft. Drie bedrijven handelen uitsluitend in oesters, zoals de kwekerij van J. Vette. Hij schat dat van zijn acht werknemers ongeveer de helft weg moet. 'De verwachting van de platte oesters is nihil. Meer dan de helft is kapot. En wat nog leeft, groeit niet meer'. De sterfte wordt, denkt Vette, ook veroorzaakt door een gebrek aan zuurstof in het water. Visserijonderzoeker Dijkema bevestigt dat. Volgens hem wordt het water van de Grevelingen, afgezien van de Bonamia, steeds minder geschikt voor oesterkweek. In 1971 werden de Grevelingen afgesloten door de Brouwersdam, waarna eb en vloed verdwenen. 'Minder stroming betekent minder zuurstof. De Grevelingen zijn langzamerhand een gewoon meer geworden met een modderige bodem. Zo'n bodem consumeert veel zuurstof. We zien het ook aan de palingen. Die hebben buiken vol met zweren.'

Wat ooit het 'wonder van de Grevelingen' heette, groeit nu toe naar een 'eindtoestand', zegt Dijkema.

Hij ziet de toekomst van de oesterkwekers dan ook somber in. Tot vorig jaar bleef de oestervangst constant. Nu is het zelfs onzeker of het opvissen van de laatste oesters nog lonend is. 'Want voor twee mandjes vol hoef je het niet meer te doen.' Een middel tegen de Bonamia is nog niet gevonden. De ziekte is wereldwijd verspreid. Vaak als de ziekte bijna weg is, zoals nu in de Oosterschelde, kan zij plotseling opnieuw beginnen, vertelt J. Poelman, belast met toezicht en begeleiding namens het ministerie van landbouw en visserij. Over de overlevingskansen van de platte oester in Zeeland kan hij niets voorspellen.

Een oplossing zou volgens hem de 'hangcultuur' kunnen zijn: de oesters hangen dan in netten aan drijvende vlotten. Hierdoor groeien ze sneller en is de kans groot dat de kwekers binnen drie jaar kunnen oogsten. De platte oesters worden meestal besmet met Bonamia tijdens hun vierde jaar. 'Natuurlijk kan men ook overgaan op de creuse', zegt Poelman. 'Maar daar is niet echt een markt voor. Het winstpercentage is veel kleiner.'

En de creuse blijft 'voer', aldus Poelman. 'Eerst smaakten ze naar komkommer. Gelukkig worden ze nu wel steeds blanker.'

Nee, dan de Zeeuwse platte oester. Die is 'roomblank'.

De echte oesterkenner eet ze rauw. Slechts 'dure wijn met bubbeltjes' mag met de oester op de menukaart staan, vindt Poelman. In restaurant de Oesterbeurs in Yerseke krijgen de gasten zes stuks voor fl. 30. M. Corbeel van de Oesterbeurs meent dat ze 'straks wel helemaal onbetaalbaar zullen worden'.