Investering in milieu houdt kunstmestfabriek open

PERNIS, 9 juli Ongunstige marktomstandigheden maken het riskant veel te investeren in Westeuropese kunstmestfabrieken, maar Kemira doet het noodgedwongen toch. Dit Finse staatsbedrijf trok onlangs 120 miljoen gulden uit voor verbetering van zijn fabriek in Pernis. Het grootste deel van dat bedrag, 70 miljoen gulden, wordt besteed aan vermindering van de vervuiling die het bedrijf veroorzaakt.

Op zichzelf is die investering opmerkelijk. Immers, de fabriek in Pernis heeft een rendement dat al jaren gelijk is aan nul, de vooruitzichten op verbetering zijn onzeker. De wereldafzet groeit nauwelijks, de concurrentie uit landen met lage produktiekosten daarentegen wel. In die omstandigheden zijn grootscheepse milieu-investeringen eigenlijk alleen maar te zien als een ongewenste kostenpost. Het is dan ook het lange termijn-perspectief dat Kemira op de been houdt. Het concern heeft zichzelf een belangrijke rol toegedicht op de mondiale kunstmestmarkt en hoopt het te kunnen uitzingen totdat zoveel concurrentie is afgevallen (of overgenomen) dat de prijzen van kunstmest weer stijgen. Wie blijft investeren, heeft straks een goede uitgangspositie, zo luidt de filosofie.

Voorwaarden om op de moeilijke kunstmestmarkt te overleven zijn, aldus G. J. Lens, algemeen directeur van Kemira Pernis, onder meer voldoende schaalgrootte, lage kosten en het onderkennen van 'de milieuproblematiek'. De mengmest die het bedrijf in Pernis maakt bevat naast stikstof ook fosfor en kali en de produktie ervan levert nogal wat schadelijke afvalstoffen op. De milieu-investering in zijn fabriek is feitelijk voorwaarde om in Nederland uberhaupt draaiende te blijven.

De fabriek, twee jaar geleden gekocht van DSM, geldt als een van de grotere industriele vervuilers in Nederland. DSM, dat toch al van plan was de slecht renderende kunstmestproduktie drastisch terug te dringen, investeerde er de laatste jaren weinig meer in, en zeker niet in milieumaatregelen. Kemira kon het bedrijf, dat zijn lozingsvergunningen dreigde te verliezen, voor een appel en een ei overnemen, maar wist zich wel gehouden aan ingrijpende milieumaatregelen om het te kunnen voortzetten.

Met de toenmalige minister van verkeer en waterstaat, Smit-Kroes, werd een convenant overeengekomen. Kemira verbond zich daarin, in ruil voor tijdelijke vergunningen, aan een gefaseerde vermindering van de milieuvervuiling.

De afgelopen twee jaar is al voor 20 miljoen aan de lokatie Pernis verspijkerd om de uitstoot van schadelijke stoffen te verminderen, maar er dient nog steeds veel te gebeuren. Per uur braakt de fabriek, aldus Kemira zelf, tegenwoordig nog 400 kilo zwaveloxyde uit, 80 kilo stikstofoxyde, 60 kilo ammoniak, 1 kilo fluor en 10 kilo stof. De emissie van het zeer giftige zware metaal cadmium ligt op zo'n 1.800 kilo per jaar, terwijl Kemira Pernis op dit moment verantwoordelijk is voor, naar eigen zeggen, 7 procent van de fosfaatlozingen op het Nederlandse oppervlaktewater.

Het grootste deel van de 70 miljoen wordt gestoken in de fosforzuurfabriek, die wordt voorzien van een dubbel-filtersysteem dat zware metalen opvangt en het verlies van zuur vermindert. Een omvangrijk deel van de milieu-investering gaat daarnaast naar de zwavelzuurfabriek, die door een verbouwing veel doelmatiger wordt en minder afvalstoffen op het water en in de lucht zal verliezen.

Een echt schone fabriek zal Kemira Pernis nooit worden, zo geeft directeur Lens toe, maar dat is inherent aan de aard van het bedrijf. Kunstmest produceren zonder afval is onmogelijk; in het ruwe fosfaaterts zit nu eenmaal een hoop onbruikbare troep. Volgens zijn technisch directeur, J. H. Straatman, zal Kemira straks niettemin naar de laatste stand van de milieutechniek zijn aangepast en geheel beantwoorden aan de in het jongste milieuplan (NMP+) door de overheid gestelde eisen. Dat betekent onder meer dat de uitstoot van zwaveloxyde in 1995 40 procent onder het huidige niveau moet liggen en die van ammoniak eenderde. De cadmium-emissie in de Nieuwe Waterweg moet met tweederde dalen, die van fosfaten met bijna de helft. Alleen de stikstofuitstoot neemt met 12,5 procent toe, zo verwacht Straatman, omdat de produktie van 'Pernis' zal worden vergroot van jaarlijks 500.000 ton kunstmest nu tot maximaal 700.000 ton. Dat zou nodig zijn om de milieu-investeringen rendabel te maken.

Of de kunstmestfabriek in Pernis inderdaad zal renderen is niet alleen van die schaalvergroting afhankelijk. Volgens directeur Lens hangt de winstgevendheid af van een complex van factoren. De belangrijkste zijn, naast een efficiente bedrijfsvoering, de hoogte van de prijs van de grondstof gas en het kunstmestaanbod in Europa.

En dan is er nog een andere voorwaarde waaraan directeur Straatman graag voldaan ziet. De aangevraagde en aan te vragen lozingsvergunningen voor Kemira de tijdelijke lopen tot 1994 af zouden ten minste tot het jaar 2005 moeten strekken. 'Dan kan je minimaal tien jaar profiteren van je investeringen', zegt Straatman. Milieuconvenanten, gebaseerd op een vermeende vrijwilligheid, zijn populair bij veel ondernemingen, maar gaat het om concrete, grote investeringen, dan is volgens Straatman elke onderneming gebaat bij langdurige zekerheid.

    • Hans Wammes