Fotografie in Arles is ouderwetse jaarmarkt

ARLES, 9 juli De 'Rencontres Internationales de la Photographie' in Arles zijn het best te vergelijken met een ouderwetse jaarmarkt. Van heinde en verre komen degenen die iets te vertonen hebben, en uit dezelfde richtingen stroomt het publiek toe, om de kunst af te kijken of om gewoon te zien wat er aan de hand is.

Arles is door Van Gogh al tot wereldbekendheid verheven. Mocht onze grote schilder ooit uit de conjunctuur verdwijnen, dan heeft het stadje nog altijd het festival van de fotografie misschien nog een steviger grondslag dan Vincents ophaalbrug en de zonnebloemen. Iedereen fotografeert. Het is gemakkelijker iets vast te leggen door op een knopje te drukken dan het op te schrijven. Het aantal analfabeten dat foto's maakt moet astronomisch veel groter zijn dan het aantal schrijvers dat een camera hanteert uit liefhebberij of voor zijn beroep. Dit alles verklaart waarom het hier zo'n gedrang is.

Deze jaarmarkt bestaat uit ongeveer 22 tentoonstellingen ik kan er een hebben overgeslagen 26 workshops waar men door de meesters zelf in de specialismen wordt ingewijd, 26 cursussen, een paar openbare debatten en een aantal dia-avonden in het Romeinse Theater. Daar valt geen noemer of een thema te ontdekken. Het enige dat al die vertoningen gemeenschappelijk hebben is, dat ze zijn voortgekomen uit een lens, licht en materiaal dat daarvoor gevoelig is. Na te zijn geaccrediteerd een privilege dat bestaat uit een speciale perskaart met foto die overal gratis toegang geeft ben ik begonnen aan datgene wat me het meest interesseerde: een tentoonstelling van Stephane Duroy en Raymond Depardon, twee fotografen uit het westen die geruime tijd in de DDR hebben doorgebracht nadat dit land toegankelijk was geworden. Wat zij daar hebben gedaan is indrukwekkend. Men kan zeer lang proberen, in woorden uit te leggen wat veertig jaar socialisme in het stadsbeeld en het landschap hebben veranderd, desnoods zelf nog wat kiekjes mee naar huis nemen, maar wat hier aan de muur hangt, in kleur, geeft de vlijmscherpe aanblik van het socialistisch fiasco zoals het in werkelijkheid is. Verwaarlozing, smeerlapperij, nog meer vuil, achterlijkheid, minachting voor de mensen en dat allemaal tegen een achtergrond van fabrieken, rokende schoorstenen die de schijn van een geweldige vooruitgang moesten wekken.

Foto's waarop men de gebeurtenissen ziet die een dag of desnoods een week wereldnieuws zijn, kunnen krantelezer helpen als zijn voorstellingsvermogen tekort schiet. Maar de gebeurtenissen van het nieuws vormen niet de werkelijkheid van alledag. Wat in het journalistieke jargon 'achtergrond' heet, bestaat meestal uit een ontrafeling van ontwikkelingen en intriges die aan de grote feiten van het nieuws vooraf zijn gegaan. Maar behalve dat is er het permanente decor, in dit geval van het socialisme dat even krachtig tot de ineenstorting heeft bijgedragen als de misdadige domheid, de hebzucht en de schijnheiligheid van Honecker en de zijnen.

Jammer, dacht ik, dat deze foto's nu niet meer zijn dan de bevestiging van wat we sinds november vorig jaar steeds beter weten. Maar ook: hoe zouden we die bewijzen van totale desolaatheid hebben bekeken toen we nog dachten dat het in de DDR ook niet helemaal perfect was, maar in ieder geval 'heel dragelijk' vergeleken met bijvoorbeeld Polen of Roemenie? Wat kan politieke fotografie doen? Is de fotograaf als politicus en niet als registrator achteraf, wat hier het geval is bij machte, de uitvoerende politiek te veranderen? Raymond Depardon is zeer onlangs in Boekarest geweest en heeft daar in zwart-wit vastgelegd hoe 'de mijnwerkers' als zuiveringstroepen van Iliescu zijn opgetreden. Wie er nog aan mocht twijfelen dat het hier om een zuiver fascistische geweldpoging is gegaan, zou kunnen volstaan met een foto om hem van het tegendeel te overtuigen. Uit een raam op de derde of vierde verdieping is deze nieuwe SA gefotografeerd, gehelmd, met knuppels, over de hele breedte van de straat en die Reihen fest geschlossen. Maar zal het de Roemeense studenten helpen die zijn neergeknuppeld? Vrolijke noot. In het Romeinse Theater was zaterdagavond een projectievoorstelling op een doek dat ik op vijf bij tien meter schat. Plaisir d'amour, zo heette dit evenement, dat was verzonnen door Michel Nuridsany, wat weleens een schuilnaam zou kunnen zijn. In de toelichting was al veel sprake van in het duister fluisterende stemmen en de fascinatie van de erotiek. In een toespraakje vooraf waarschuwde Michel Gezondekost nog eens dat men zich voorbereid moest houden op een paar schokkende beelden, maar dat het zo erg ook weer niet was, want bij het samenstellen van de vertoning had hij ze nog veel schokkender gezien. Niettemin ging er een hoeraatje op in de volgepakte arena.

Plaisir d'Amour bleek echter een verzameling briefkaarten te zijn, van laat-negentiende-eeuwse in roze maillot geklede volslanke dames, tot laat-twintigste-eeuwse in leer gevatte sexprotagonisten. Alles begeleid met de muziek van de tijd. Het deed me plezier, Lucienne Boyer weer eens te horen en voor de rest was het nep van de treurigste soort. In tegenstelling tot wat de maker waarschijnlijk heeft gedacht, is zo'n lichtbeeldentoestand met muziek steamy noemen de Amerikanen het treffend helemaal niet onthullend of interessant meer, laat staan schokkend. Porno springt ons in dit fin de siecle in het gezicht. De arena had er dan ook al vlug genoeg van. De heer Nurisdany werd uitgefloten, niet uit verontwaardiging, maar wegens wanprestatie.

Dit is het eerste van een reeks artikelen uit Arles.