Burgemeester A. Staatsen van Groningen; Geen lintknipper, maar iemand met inhoud

Nietsvermoedend verliet burgemeester mr. A. A. M. Staatsen van Groningen vorige week dinsdag het stadhuis om te lunchen in grand cafe Forum, op steenworp afstand van de rechtbank waar juist die dag het proces was begonnen tegen de krakers van het Wolters Noordhoff-complex. Hij stuitte op een groep sympathisanten van de krakers, maakte rechtsomkeert en zegt achteraf: 'Ik had het van tevoren kunnen weten. Het was niet handig van me.' Het overkomt hem wel vaker. Toen twee jaar geleden de Bestuurscommissie Noorden des Lands (BCN) 150 miljoen gulden rijkssteun in de wacht had gesleept verklaarde Staatsen publiekelijk dat het noorden eens op moest houden zichzelf te bestempelen als 'zielig gebied' dat in Den Haag steeds om extra geld aanklopte. 'Het was onhandig getimed. Ik ben terecht teruggefloten door de wethouders.' Teruggefloten, hij werd het al door zijn moeder. Zij kwam er achter dat haar oudste zoon en zijn vriendje de niet rooms-katholieke tennisclub hadden gebeld om te vragen of zij lid konden worden. Voor een kind uit een streng katholiek gezin was zoiets natuurlijk ondenkbaar, besliste moeder. Het ging dan ook niet door.

Maar de nieuwsgierigheid naar het leven buiten de rooms-katholieke zuilwas met dit incident niet gedoofd. Staatsen (47) wilde na zijn gymnasiumtijd dan ook liever gaan studeren in zijn geboorteplaats Utrecht dan aan de katholieke universiteit in Nijmegen, waar zijn vader juist op aandrong. Tevergeefs, hij wist zijn ouders te overtuigen en kreeg zijn zin. Hij mocht zich in 1961 in Utrecht laten inschrijven als rechtenstudent. Het roomse geloof, waarbij hij als kind al vraagtekens zette, raakte hoe langer hoe meer op de achtergrond. 'Op de lagere school weigerde ik al te geloven dat ongedoopte kinderen niet in de hemel zouden komen, maar in het voorgeborchte moesten blijven.' Behoort het kerkbezoek voor hem tot het verleden, zijn opvoeding heeft op andere terreinen wel sporen nagelaten. Van jongs af leerde hij: niet zeuren, hard werken. 'Hij is geen workaholic, maar het komt wel een eind in die richting. Werk is een van de belangrijkste dingen in zijn leven. Hij wil de wereld verbeteren en hij heeft ambitie', zegt drs. J. Kapsenberg, die van 1983 tot 1985 als directeur bestuurszaken op het ministerie van binnenlandse zaken onder Staatsen werkte. Na zijn kandidaatsexamen verhuisde Staatsen naar Groningen, waar hij in 1966 afstudeerde. De overgang van het studentenleven naar de kazerne viel hem zwaar. De net afgestudeerde jurist moest als recruut onder prikkeldraad door leren kruipen en mocht de eerste zes weken niet naar huis. Hij werd gedurende zijn diensttijd in negen maanden klaargestoomd tot tolk Russisch.

Een telefoontje van de Rijksuniversiteit Groningen naar de kazerne bood zicht op een baan. Zijn hoogleraar mr. E. H. s'Jacob vroeg hem wetenschappelijk medewerker staats- en bestuursrecht te worden. Hij zei ja en kwam in 1968 terug bij de Groninger universiteit. Samen met de huidige Amsterdamse advocaat mr. P. Ingelse die in 1969 wetenschappelijk medewerker privaatrecht was geworden, werd hij lid van het dagelijks bestuur van de faculteit. Ingelse: 'Hij was erg serieus en zeer gedisciplineerd. Als hij zei: volgende week heb ik daar een nota over, dan was die er ook. Dat was in die tijd, waarin ongelooflijk veel werd afgepraat, iets bijzonders.' 's Jacob merkte allengs dat zijn medewerker het geduld voor het verrichten van wetenschappelijk onderzoek ontbeerde. Hij zag hem eerder als iemand die achter een bureau met heel veel telefoontoestellen druk in de weer was. Geen man dus voor een proefschrift. 'Dat is nog steeds een zere plek, maar ik kon er geen geduld voor opbrengen.'

Metropool

Buiten de universiteit was het stadsbestuur eind jaren zestig druk doende Groningen op te stuwen in de vaart der volkeren. Zij wilden de Martinistad omtoveren tot een metropool, de daaraan gepaarde kaalslag van de binnenstad ten spijt. Het verzet van de plaatselijke afdeling van D66 tegen dit beleid was voor Staatsen een van de redenen zich bij deze partij aan te sluiten. Hij kwam in 1970 voor de Democraten in de Groninger gemeenteraad.

Twee jaar later speelde D66 een cruciale rol in de wethouderscrisis die zich personifieerde in de toenmalige wethouder stadsvernieuwing M. van den Berg, die weigerde de prestigieuze plannen te verdedigen in de raad. Hij overleefde een motie van wantrouwen omdat de twee D66-raadsleden deze niet steunden. De CDA- en VVD-wethouders stapten vervolgens op. In het nieuwe college werd Staatsen wethouder volksgezondheid en milieu, wat hem door de raadsfracties van CDA en VVD niet in dank werd afgenomen. Drie jaar later verruilde hij niet alleen D66 voor de PvdA ('Bij D66 kwamen mij iets te veel mensen met een reactionaire inslag'), maar ook Groningen voor Den Haag waar hij zijn ambtelijke loopbaan begon bij het ministerie van volksgezondheid en milieuhygiene. Oud-minister van milieu dr. P. Winsemius: 'Ik heb vier maanden zeer intensief met hem gewerkt. Hij was toen plaatsvervangend directeur voor de milieuhygiene. Milieu heeft haast en het siert hem dat hij zich niet neerlegde bij de traagheid van de Haagse besluitvorming. Hij was niet alleen goed in het bedenken van een plan, maar zorgde er ook voor dat het snel werd uitgevoerd.'

Bij Binnenlandse Zaken, waar hij in 1983 directeur-generaal Binnenlands Bestuur werd, kon niet iedereen zijn tempo bijbenen. Staatsen: 'Ik ben ongeduldig. Dat is een slechte eigenschap en niet altijd leuk voor de mensen om me heen.' Kapsenberg: 'Daar kwam bij dat Staatsen zelden wilde afwijken van een eenmaal ingeslagen pad. Die neiging tot starheid brak mensen hier wel eens op.'

Al na twee jaar verliet hij dit departement om burgemeester te worden van Groningen. Menigeen in zijn omgeving ontraadde hem deze overstap gezien zijn succesvolle loopbaan in Den Haag. Maar Staatsen zag een nieuwe uitdaging: 'Ik vind heel veel dingen leuk, dat is soms een handicap. Ik koos voor Groningen omdat daar ontzettend veel te doen is. De werkloosheid is hoog. Groningen is bovendien de zesde stad van Nederland, maar bijna niemand die dat weet. Daarin wilde ik verandering brengen.' De raadsfracties van CDA en VVD reageerden met gemengde gevoelens op de komst van Staatsen. De partijen herinnerden zich maar al te goed hoe zij in 1972 mede door zijn toedoen buiten het college waren gezet. Maar ze draaiden snel bij. VVD-fractievoorzitter J. Evenhuis: 'Hij is ons erg meegevallen. Hij is een aimabel man met oog voor alle groeperingen. Vroeger was hij links, nu is hij rechts en dus heeft de VVD-fractie nooit conflicten met hem.' Staatsen ontpopte zich allerminst als de lintenknipper die zijn partij voor ogen had. Hij manifesteerde zich al snel als een 'inhoudelijke' burgemeester, wat kwaad bloed zette bij de rest van het college. Er waren regelmatig conflicten, bijvoorbeeld over de benoeming van een nieuwe hoofdcommissaris van politie en het gemeentelijk apartheidsbeleid. Vorig jaar won hij het conflict over de kleur van zijn dienstauto: de huisstijl schreef voor dat die rood moest zijn, Staatsen verplaatst zich liever in een grijze. Zijn ambtenaren verweten hem een weinig flexiblele houding en het onvermogen om schouderklopjes uit te delen.

Volgens Staatsens rechterhand, die het na drie jaar wegens de 'minder prettige sfeer' voor gezien hield, werd de burgemeester regelmatig op een zijspoor gezet. 'Er was vaak kinnesinne in het college. Als Staatsen iets inbracht moest er altijd iets op worden afgedongen. Ik heb een aantal slechte menselijke eigenschappen naar boven zien komen die ik niet voor mogelijk had gehouden.' Evenhuis spreekt in dit verband over 'wethouder Gietema en zijn vazallen' die Staatsen het leven zuur maakten. De huidige burgemeester van Assen, J. Masman: 'Het enige wat ik er over wil zeggen is dat ik veel militanter zou zijn opgetreden. Staatsen heeft een groot incasseringsvermogen.'

Staatsen bleef loyaal ten opzichte van een college dat hem regelmatig de voet dwarzette of terugfloot. Zelf wil hij er weinig over kwijt: 'Ik probeer binnen het college goede verhoudingen te bereiken en geef nooit een oordeel over medebestuurders. Dat is een interne aangelegenheid.'

Snellezer

Maar er is ook lof. Alle partijen roemen zijn goede contacten in Den Haag. De voorzitter van de Commerciele Club in Groningen, J. Kamminga, noemt hem 'een voortreffelijke man' voor het bedrijfsleven. 'De afstand tussen het stadsbestuur en het bedrijfsleven was groot. Staatsen heeft er voor gezorgd dat ondernemers weer vertrouwen kregen.' Voor de promotie van de stad zocht hij contact met de Gasunie, Philips en de PTT. Gezamenlijk werd een actieplan ontworpen. 'Dat is typisch Staatsen. Hij wil altijd samenwerken. Hij vindt dat je pas iets kunt promoten als er veel instellingen en organisaties bij betrokken worden', aldus een oud-medewerker. Dit najaar zullen reclamespots over Groningen op televisie te zien zijn. Inmiddels is al begonnen met een grootscheepse advertentiecampagne in verschillende bladen.

De doener Staatsen, zoals hij wordt getypeerd, gunt zichzelf weinig tijd voor reflectie. Hij lacht ook te weinig, vinden zijn medewerkers. Het beste ontspant hij zich tijdens zijn wekelijkse urenlange wandeling langs de zeedijk en op zijn zeilboot. Tijd voor een goed boek is er nauwelijks. 'Ik heb er ook het geduld niet meer voor. Ik ben gedeformeerd tot snellezer, 'zegt hij. Kapsenberg: 'Hij leest wel boeken over management. Maar hij heeft bijvoorbeeld geen gevoel voor gedichten. Daarom heb ik met mezelf afgesproken hem elke keer dat we elkaar zien een dichtbundel te geven. Ik vind dat hij een tegenwicht nodig heeft voor zijn rationele manier van denken. Laatst heb ik hem de verzamelde gedichten van Marsman cadeau gedaan. Vasalis, ja, dat lijkt me ook wel iets voor hem.'