Wilhelmina treedt uit haar schaduw

In 1981 publiceerde de historicus dr. A. M. Manning een opstel waarin hij op een even prikkelende als uitdagende toon de vereisten voor een Wilhelmina-biografie formuleerde. Het stuk was een profielschets voor de biograaf maar ook een manifest aan het Koninklijk Huis, dat naar zijn mening te lang had volhard in zijn tegenwerking tegen het historisch onderzoek naar de constitutionele rol die koningin Wilhelmina in haar vijftigjarige regeringsperiode had gespeeld. Het zou te betreuren zijn, vond Manning, als een vorstin van formaat, die een halve eeuw regeerde in een land waarin zich grote veranderingen voltrokken, die een sterke persoonlijkheid was en van 1938 af kon en mocht constateren dat respect in sympathie was veranderd, en die in de bezettingstijd alom populair werd als zo iemand door terughoudendheid in eigen kring, door niet-beschikbaar zijn van historici of wegens gebrek aan belangstelling door een volgende generatie 'niet gekend, gewaardeerd of begrepen wordt'.

Zijn rammeien op de poort van de koninklijke archieven is in zoverre met succes bekroond dat het terughoudende beleid van het hof waarover Manning in zijn opstel van negen jaar geleden nog foeterend de staf brak voor een groot deel is overwonnen is en is veranderd in misschien nog limitatieve, maar toch onbekrompen tegemoetkomendheid tegenover de historische wetenschap en de muze van de biografie. Het heeft wat lang geduurd om de deuren van het Koninklijk Huisarchief en van het Kabinet der Koningin geopend te krijgen, maar dat overredende effect heeft het manifest van de Nijmeegse hoogleraar in elk geval gehad. Het aardige is nog dat Manning de eerste is om van die modernisering aan het hof wetenschappelijk profijt te trekken, want hij heeft de toestemming gekregen zich in de archieven van het Koninklijk Huis van alle middelen te voorzien die nodig zijn voor het schrijven van een volledige biografie van Wilhelmina. Voor de Nederlandse historiografie luidt die toestemming een nieuw tijdperk in, die tegelijkertijd een eind maakt aan het lang betwiste monopolie van dr. L. de Jong, totdusver de enige historicus die op grond van zijn officiele opdracht kon beschikken over de papieren van Wilhelmina uit haar Londense jaren van ballingschap.

Ik heb hier al eens gewezen op de door De Jong ook wel erkende onrechtvaardigheid van dat monopolisme, dat De Jong vrijwaarde voor concurrentie. De hele wetenschappelijke wereld was immers op zijn 'Londense' geschiedschrijving aangewezen, want buiten hem had niemand toegang tot zijn wilhelminische bronnen, die ook niet konden worden gecontroleerd.

Dit knelde te meer omdat Wilhelmina in haar laatste wilsbeschikking de opdracht had gegeven tot vernietiging van haar papieren (waarin hoegenaamd geen systematisch onderscheid tussen particuliere en staatsstukken werd gemaakt), waardoor L. de Jong het geluk toeviel de enige historicus te zijn die ooit achter de sluiers van haar ambstgeheim heeft gekeken en zowel ongelimiteerd in haar papieren heeft gegrasduind als haar versie van de geschiedenis from the horse's mouth heeft opgetekend.

Mannings Wilhelmina-biografie zal, naar we op grond van zijn werk mogen aannemen, De Jongs Wilhelmina-beeld op een aantal punten nuanceren. Hoeveel ironische verrassingen in het verschiet liggen, weet ik natuurlijk niet, maar ik houd Manning, ondanks zijn manifeste bewondering voor Wilhelmina, meer voor een geschiedschrijver uit de democratisch-constitutionele dan uit de orangistische school, in elk geval minder orangistisch dan dr. L. de Jong.

Het zou overigens de moeite waard zijn te zijner tijd inzicht te krijgen in het beeld dat de schrijver tien jaar geleden van zijn onderwerp had (toen zijn voornemen om Wilhelmina's biograaf te worden waarschijnlijk vaste vorm kreeg) en het beeld dat uit de nu geopend archieven voor hem is opgerezen. Tien jaar geleden vond Manning de hulp van een psycholoog nog onmisbaar ('Vereisten', in: Koningin Wilhelmina, red. C. A. Tamse, Alphen aan den Rijn, 1981). De historicus Manning (die zich zojuist van de lasten van het hoogleraarschap heeft bevrijd om zich geheel aan zijn biografische taak te kunnen wijden) zal zijn greep op de materie intussen wel zoveel hebben versterkt dat hij voor het begrijpen van zijn onderwerp geen hulp van buiten meer nodig heeft en zelf die psycholoog is geworden.

In het college die Manning op 29 juni jongstleden bij zijn afscheid als hoogleraar in de wereldgeschiedenis van de twintigste eeuw aan de Universiteit van Nijmegen gaf, heeft hij al een belangwekkend voorschot op zijn Wilhelmina-biografie genomen. Dat college was gewijd aan het in 1906 aan het licht gekomen conflict tussen de ministers van het kabinet-De Meester en Wilhelmina over de door de minister van oorlog (generaal-majoor) Staal voorgestelde bezuinigingen op de defensie, dat pas na een slepende crisis werd opgelost ..Wilhelmina had markante en eigenzinnige opvattingen over het defensiebeleid en liet zich, waarschijnlijk tot grote ergernis van het kabinet, daarover adviseren door militaire deskundigen van buiten de kring van de minister van oorlog. Zij vond dat het kabinet de kustverdediging verwaarloosde en zij rekende het Staal vooral aan dat hij in zijn defensiebeleid voorbijging aan de mogelijkheid van oorlog tussen Frankrijk en Engeland enerzijds en Duitsland anderzijds. Zij betwijfelde of de Nederlandse krijgsmacht sterk genoeg was om een van de oorlogvoerende partijen te beletten de Nederlandse zeehavens in bezit te nemen, dus de Nederlandse neutraliteit te handhaven.

In haar oppositie tegen de bezuinigingsplannen van het kabinet, die neerkwamen op gedeeltelijke afschaffing van het zogenaamde blijvend gedeelte (de langer dienende dienstplichtigen), hield zij voet bij stuk en dwong zij de ministers tot de terugtocht. Uit het afscheidscollege van Manning, die daarvoor een ruim gebruik heeft gemaakt van totnutoe geheime stukken uit sinds kort ontsloten archieven, blijkt dat de jonge koningin niet slechts autoritaire ambtsopvattingen had (het traditionele geschiedbeeld), maar ook op het terrein van politieke taktiek haar mannetje stond.

Haar tegenspeler in dit conflict, minister Staal, mocht nog zoveel generaal zijn (generaal met een ster), in politieke slagvaardigheid legde hij het tegen haar af. Zij manoeuvreerde hem tenslotte doelbewust van het politieke schaakbord. Hij had er daarna zo genoeg van dat hij ook de Tweede Kamer voor gezien hield en zich tot lid van de Eerste Kamer liet benoemen.

Wilhelmina volstond er niet mee die persoonlijke slag binnen te halen. Om minder afhankelijk te zijn van de persoonlijke inzichten van de steeds wisselende ministers van oorlog drong zij ook aan op voorzieningen voor een betere advisering van de ministers (Raad van Defensie) en schiep zij aldus de voorwaarden voor een systeem van controle en tegencontrole, dat niet alleen haar eigen positie maar ook die van de Tweede Kamer versterkte.

Voorlopig is dit al heel wat meer dan totnutoe van Wilhelmina bekend was. Mannings definitieve biografie van Wilhelmina belooft nog veel meer, hij zal heel de politieke geschiedenis gedurende haar vijftig regeringsjaren omspitten zoals nog niemand eerder heeft gedaan.

. A. F. Manning, De Nacht van Staal, Afscheidscollege, Katholieke Universiteit Nijmegen.