Postbrand

Vakantiebriefkaarten schrijf ik maar hoogst zelden. Het is een corvee die me de grootste moeite kost omdat het een akelige onderbreking van de reis betekent. Je kunt je er met h.gr. niet vanaf maken, je hebt een enkele uitzondering daargelaten op zo'n klein vlakje niet veel meer te melden dan het is hier heerlijk, erg warm, zwemmen veel, of veel regen, veel truien, al naar gelang de omstandigheden. Dan nog eens al die adressen opzoeken en tot overmaat van ellende een lange rij in het postkantoor voor zegels. Nee, als het even kan gebeurt dat niet en krijgt iedereen bij terugkomst uitgebreid mondeling verslag. Zo niet deze keer. We hadden het roer voor een keer omgegooid en een hele ochtend voor het kaartengeschrijf uitgetrokken. Eerst in het huisje het adressenbestand doorvlooien om te kijken hoeveel er gekocht moesten worden en dan begint het al: ja, maar als we die er een sturen dan moet die ook, en die z'n verjaardag ben ik vergeten, dus dat kunnen we nu mooi vereffenen. Enfin, vijftig kaarten, dan waren we er wel zo'n beetje.

Nu is St. Georges, de hoofdstad van Grenada, vrij gunstig gesitueerd wat betreft het naar huis schrijven. De stad is klein en ligt heel pittoresk tegen de bepalmde bergen gegroepeerd rondom een havenbaai, waar het kaartenwinkeltje zich vlak naast een heel aantrekkelijk cafe met open klapramen aan het water bevindt. Daar nemen we plaats, tafeltje aan het raam, drankjes, pennen, agenda's en goede moed. Drie uur lang schrijven we; meer drankjes, nog wat ondersteboven bijschrijven, kortom, het worden vrij leuke kaarten waarbij op de plaatzijde hier en daar wat wordt bijgetekend om het allemaal nog aantrekkelijker te maken. Het hoofdpostkantoor is vijftig meter verderop, de rij voor het loket valt mee, even vijftig keer likken en erg tevreden met onszelf laten we alle kaarten in de buitenbus tegen de gevel glijden.

Zo, daar waren we weer voor een heleboel jaar van af. Die avond lopen we na het eten bij volle maan over het strand naar huis. Met blote voeten door het zilveren, lauwe brandinkje terwijl de volle maan lange schaduwen maakt van de palmen en de zeedruivenbomen op het witte strand. De krabbetjes zoeken een snelle schuilplaats om onze plettende voet te ontlopen en in de verte gloeien bij St. Georges de vlammen van een vuilverbranding. Heel vredig allemaal, ware het niet dat die vlammen een kwartier later onrustbarende vormen aannamen en het ons ineens wel erg gek lijkt om vuil midden in de stad te verbranden. Zonder een seconde te twijfelen rennen we naar de auto en storten we ons in de drukte richting stad; er zijn meer mensen op dezelfde gedachte gekomen.

Ter plaatse blijkt het ministerie van financien volledig in brand te staan. De brandweer is aanwezig maar weet niet goed hoe de auto's werken, ze hebben die pas een week in bezit en van oefenen is duidelijk nog niet veel gekomen. Het is een chaos. De ene helft van de menigte geniet ervan dat er weer eens wat gebeurt, de rest schreeuwt om efficient bluswerk. Er komt een boot van de kustwacht maar die kan door de hitte niet voldoende dichtbij komen. Loeiend rijdt er een brandweerauto van het vliegveld naderbij. Die spuit zijn hele lading in vijf minuten leeg en dan duurt het weer heel lang voor hij zijn achterslurf in zee heeft gehangen om nieuw water op te zuigen. Intussen staat de daarnaast gelegen staatsdrukkerij ook in volle vlam. Het zindert, je moet je handen voor je gezicht houden om te kunnen blijven kijken. En dan zien we al rook kringelen uit de ramen van het daar weer naastgelegen hoofdpostkantoor. In een klap staat ook dat in lichterlaaie. Drie prachtige, oude gebouwen gaan voor onze ogen in metershoge vlammen op. Het regent stukjes vuur over de baai, de hele papieren geschiedenis van Grenada verbrandt waar we bij staan, maar op dat moment denken we alleen aan onze vijftig kaarten.