OORLOGSMISDADIGERS

In de nacht van 15 op 16 januari 1944 werden in concentratiekamp Vught 90 vrouwen wegens 'muiterij' bestraft. Ze hadden een verraadster kaalgeschoren en werden op bevel van de kampcommandant Adam Grunewald in twee cellen van 2.25 bij 4 meter geperst. De volgende ochtend werdentien vrouwen dood aangetroffen. Verscheidene vrouwen waren krankzinnig geworden.

Na de oorlog verzamelde de Nederlandse justitie het nodige bewijsmateriaal met betrekking tot dit 'bunkerdrama' en droeg het in 1967 over aan de Duitse justitie, de Zentral Stelle in Ludwigsburg. Toen in 1979 de advocate van een van de overlevende slachtoffers navraag deed bleek het materiaal nog steeds niet doorgenomen te zijn. Het bewijsmateriaal was zelfs nog niet eens vertaald. Een uitzendkracht, de Nederlandse vrouw van de verantwoordelijke Duitse rechter, was belast met het onderzoek van de bewijsstukken.

De advocate diende een aanklacht in wegens 'Strafvereitlung im Amt'. En na veel gedraal en leugens moest de verantwoordelijke minister van justitie van de deelstaat Rheinland-Pfalz, Otto Theisen, aftreden. Toen pas kwam het onderzoek op gang. Maar het openbaar ministerie kwam al gauw tot de conclusie dat de daders weinig te verwijten viel. Het kamppersoneel had geen medische opleiding en kon dus niet weten dat de gevangen vrouwen een gebrek aan zuurstof zouden hebben. De SS'ers waren ietwat nonchalant geweest, maar dat was op zichzelf geen reden tot straf, zo luidde de conclusie van de officier van justitie.

Bovenstaand geval is een van de dertien die de Duitse journalist Gunther Schwarberg in Die Morder-waschmaschine beschrijft. Het geval is exemplarisch voor de wijze waarop de Duitse justitie na de oorlog Nazi-moorden heeft witgewassen. 94756 Gerechtelijke vooronderzoeken tegen Nazi-misdadigers vonden plaats, waarvan er 6482 werden afgesloten, met of zonder proces. De overige werden in de doofpot gestopt of werden zonder controle der openbaarheid zonder straf afgesloten.

Volgens Schwarberg paste de Duitse justitie verschillende methodes toe om Nazi-moorden wit te wassen. Getuigen werden na tientallen jaren opnieuw verhoord en als ze elkaar maar even tegenspraken werd daarin aanleiding gevonden om de daders vrij te pleiten. Rechtszaken werden getraineerd, totdat de daders om gezondheidsredenen niet meer vervolgd konden worden. Of bewijsmateriaal werd domweg vernietigd door onnauwkeurigheid van de vele uitzendkrachten die ingezet werden.

En als het al tot een rechtszaak kwam bleek het Duitse recht vaak bar weinig mogelijkheden te kennen om Nazi-moordenaars te veroordelen. Dat bleek bij voorbeeld tijdens het proces tegen twee SA-lieden, die in de 'Reichskristallnacht' de jood Heinrich Rosenblum vermoord hadden. Volgens de rechters was er geen sprake van moord omdat de daders geen 'lage beweegredenen' hadden, de aanslag niet 'geniepig' of 'wreed' was, alle voorwaarden waaraan volgens de moordparagraaf 211 voldaan moet worden om een daad als moord te kwalificeren. En alleen moord is volgens de Duitse wet nog te vervolgen, omdat doodslag sinds 1960 verjaard is. Dat de Duitse justitie niet altijd even daadkrachtig is opgetreden tegen oorlogsmisdadigers mag bekend worden verondersteld. Toen de Koude Oorlog weer in ere hersteld werd kwamen de Nazi-rechters weer op hun oude post terecht en ze leidden een hele generatie jonge rechters op in de vooroorlogse traditie.

De kracht van Schwarzbergs betoog zit 'm in de schrijnende feiten die hij aanvoert, gebaseerd op een veertig jaar lange ervaring als journalist voor wie de 'Vergangenheitsbewaltigung' geen vanzelfsprekendheid was. Bij zijn naspeuringen naar oorlogsmisdaden kreeg hij allesbehalve medewerking van de justitiele autoriteiten. Hij geeft er feilloos mee aan dat de 'Morderwaschmaschine' vrijwel zonder haperingen heeft gewerkt.

    • Steidl Verlag 1990