NEE TEGEN DE UNDERCOVER-AGENT

'Ik beschik niet over recente gegevens van de inzet van het middel pseudokoop', verklaarde de minister van justitie begin 1988 doodleuk op een vraag uit de Tweede Kamer. 'Noch van de zijde van de politie, noch van de zijde van het openbaar ministerie hebben mij klachten of bijzonderheden bereikt over de inzet van dit middel.'

Zou de bewindsman niet zelf eens hebben kunnen informeren? Zijn struisvogelpolitiek is symptomatisch voor de wijze waarop de justitie in Nederland zich af pleegt te maken van de serieuze rechtsvragen die worden opgeroepen door de opsporingsmethode van de infiltratie. Natuurlijk weet men eigenlijk best dat er iets wringt. De advocaat-generaal bij de Hoge Raad, prof. mr. J. C. M. Leijten, was in 1985 zelfs zo eerlijk in een vakblad te erkennen dat undercover-werk een belang op het spel zet 'dat het belang van de strafvordering overstijgt en dat rechtstreeks onze cultuur en onze beschaving raakt en treft'.

De Hoge Raad zelf kijkt intussen liever de andere kant op wanneer schemerige stromannen worden ingeschakeld (1988), de pseudokoper anoniem blijft (1989), of wanneer inschakeling van de ene crimineel om de andere er bij te lappen een bijsmaak van (verboden) uitlokking nalaat (1990). De justitiele zelfgenoegzaamheid wordt wreed verstoord door het proefschrift Infiltratie in het strafrecht van een medewerker van de Nijmeegse universiteit, mr. P. M. Frielink. Hij bestempelt deze opsporingsmethode in het gros van de gevallen ronduit tot onrechtmatig. De infiltrant zal doorgaans immers wel verplicht zijn strafbare feiten te begaan om entree tot de criminele milieus te krijgen. Men zou zeggen dat dergelijke begeleidende delicten, binnen zekere grenzen, worden gedekt door de instructie waarmee de infiltrant op pad wordt gestuurd. Maar volgens Frielink kan deze instructie nooit de strafrechtelijke rechtvaardigingsgrond 'bevoegd gegeven ambtelijk bevel' opleveren - ook al heeft de minister van justitie eind 1985 in het voetspoor van de Hoge Raad infiltratie met zoveel woorden gebonden aan de eis van voorafgaande toestemming door een officier van justitie en 'regie' door de betrokken recherchechef. Dit betekent volgens Frielink echter nog niet dat de bevelgever zichzelf boven de wet kan stellen. Veel van het effect van deze behartenswaardige conclusie gaat echter verloren doordat de schrijver in een adem door aanbeveelt de wet aan te vullen met een bevoegdheid voor de officier van justitie toestemming te geven tot het plegen van strafbare feiten tijdens een infiltratie.

Wat is het nu: is in Nederland geen mens verheven boven de wet of niet? Zo'n toestemming - zelfs met terugwerkende kracht - belooft bovendien de juridische hoeksteen weg te halen onder de pseudokoop. Een absolute voorwaarde daarvoor is dat er niet sprake is van uitlokking; die is naar Nederlands recht namelijk strafbaar. De pseudokoper (of pseudoheler) mag met andere woorden de criminele aanbieder niet op een gedachte brengen die hij al niet had. Deze elementaire waarborg wordt illusoir wanneer een officier van justitie (achteraf) de strafbare uitlokking kan dekken, ook al blijft de algemene dubbele eis gelden dat de infiltratie als opsporingsmiddel in verhouding staat tot de ernst van het delict en dat er geen minder riskante methode in aanmerking komt. Er is trouwens nog een ander vuiltje, dat minder makkelijk valt weg te werken met behulp van een wetswijziging: 'infiltratie en anonimiteit gaan hand in hand'. Onze Hoge Raad heeft daar weinig moeite mee, zo bleek vorige zomer nog weer eens uit een arrest over de pseudokopers A-060 en A-120. Deze konden anoniem blijven tijdens de strafprocedure, ook al bleef onduidelijk of dit gebeurde omdat aanwijsbaar represailles waren te duchten dan wel alleen maar omdat een open vizier nu eenmaal lastig is in dit soort werk. Vorig jaar november haalde het Europese Hof voor de Mensenrechten in Straatsburg echter een forse streep door het gemak waarmee de Nederlandse rechter verdachten veroordeelt op grond van de verklaringen van geheime zegslieden, die niet aan de tand kunnen worden gevoeld. De Hoge Raad heeft in een uitspraak begin juli een flinke stap teruggedaan. Het is dan ook een veilige conclusie van Frielink dat er 'spaarzamer' moet worden omgesprongen met anonieme lokbeambten dan de Hoge Raad in het geval van de twee pseudokopers deed. BUITENLANDEn dan zijn er de buitenlandse infiltraties in ons land. In de studie van Frielink blijven zij ietwat onderbelicht. Toch vormen zij historisch gezien de opstap tot veel van de problemen. De Nederlandse politie is vertrouwd gemaakt met infiltratie door het Amerikaanse Drugs Enforcement Agency (DEA) midden jaren zeventig.

Pas toen de 'Amerikaanse kopers' ongeloofwaardig waren geworden begon de Nederlandse politie er zelf aan. Intussen zijn er ook enkele Scandinavische excursies op Nederlandse bodem geweest en herhaalde infiltraties van de Westduitsers. Dit blijkt uit een bekroonde scriptie uit 1988 aan het Willem Pompe Instituut voor strafrechtswetenschappen in Utrecht, waaraan onder meer een serie interviews met insiders ten grondslag lag. Hoofdregel is en blijft dat buitenlandse opsporingsbeambten in Nederland nooit zelfstandig actief kunnen zijn. Buitenlandse infiltranten willen echter het Nederlandse OM wel eens passeren, zo is vooral het bange vermoeden van de insiders in het geval van de Duitse V-mannen. En onlangs moest de minister van justitie toegeven dat naar het zich laat aanzien de drugs-verbindingsofficier van de Canadese ambassade in Den Haag met behulp van de Nederlandse politiemensen op ontoelaatbare wijze een Nederlander in een pseudokoopval heeft gelokt. Deze onthulling vormt een bevestiging van de vrees die wordt utigesproken in de Utrechtse scriptie dat 'het openbaar ministerie slechts het topje van de ijsberg krijgt te zien'.

In vakkringen wordt de rol van het OM ook wel getypeerd als 'parapludekking'. Het gevaar voor afglijden blijft dus niet beperkt tot concrete strafbare feiten die concrete infiltranten moeten plegen om geloofwaardig te zijn, maar bedreigt de beheersbaarheid van deze opsporingsmethode op zichzelf. Het moet worden gezegd dat Frielink, even afgezien van averechtse wetsbepaling die hij voorstelt, een open oog heeft voor de noodzaak infiltratie terug te dringen. Hij meent dat de risico's zeker te groot zijn in het geval van de grote drugssyndicaten. Dat betekent nogal wat voor de huidige infiltratiepraktijk. In ongeveer zesenveertig procent van de gevallen heeft deze betrekking op handel in verdovende middelen. De rest van de infiltraties betreft vooral vervalsingen (twintig procent) en vuurwapens (tien procent). Dat is in zoverre een opmerkelijk gegeven omdat de infiltratiemethode juist is binnengehaald als uitzonderlijk middel met een beroep op de uitzonderlijke ernst van de drugsproblematiek. Eenmaal binnen bleek echter een olievlekwerking. Frielink maakt nu van deze nood een deugd door infiltratie aan te bevelen voor andere delicten dan drugs. Een mooi voorbeeld van een geschikte toepassing is volgens hem de pseudokoop van schilderijen die in 1988 werden ontvreemd uit het Stedelijk Museum in Amsterdam. Nu de Van Goghs uit het Noordbrabants museum nog.