METAFYSICA

Blikken we terug op enkele eeuwen filosofie, dan vallen er grofweg drie gebieden te onderscheiden. De Engelstalige filosofie lijkt op een laboratorium: er wordt nuchter geanalyseerd, de alledaagse ervaring wordt nooit uit het oog verloren en tussendoor eet men een zelfgesmeerde boterham. De Duitse wijsbegeerte heeft meer weg van een groeve, waarin geologen en archeologen alles geduldig in kaart brengen en systematiseren, steeds dieper graven en bij dit alles vooral ernstig blijven. De Franse filosofie ten slotte doet aan een negentiende-eeuwse salon denken, waarin men zich uitput bewondering te oogsten met esprit, eruditie en met een meeslepende stijl die boven alles helderheid suggereert.

Op die toon schrijft de Fransman Bergson (1859-1941) bij voorbeeld, dat de metafysica 'zichzelf beschouwd (zal) hebben in een spiegel die haar een beeld van zichzelf terugkaatst dat ongetwijfeld uitermate verkleind maar tegelijkertijd vol licht is'.

Zo'n opmerking hoort men niet vaak in de Duitse groeve of het Engels laboratorium. Hij is ook aan deze stijl te danken, dat filosofen in Parijs vaak het middelpunt van een cultus kunnen worden. Nu trekt Derrida stampvolle zalen, daarvoor was het Foucault, die op zijn beurt Sartre opvolgde. In het begin van de eeuw was Bergson zo populair dat er geschertst werd dat hij zijn colleges maar beter naar de Opera kon verplaatsen.

Wat wilde Bergson nu eigenlijk met die metafysica, die toch eerder een produkt van de Duitse groeve lijkt? Zijn onderneming is niet eenvoudig. Ook de nu vertaalde Inleiding tot de metafysica laat zich ondanks de verraderlijk heldere stijl en de overzichtelijke inleiding van Jan Bor moeilijk lezen als men net zwaar getafeld heeft.

In feite bedrijft Bergson een klassieke metafysica, waarin hij de essentie van al het bestaande probeert te karakteriseren. Anders dan de meeste filosofen gaat hij daarbij echter niet uit van begrippen, maar van een filosofische intuitie. Met begrippen kunnen we het wezen van de werkelijkheid nooit benaderen, meent Bergson. Daarom zien filosofen datgene wat ze proberen te pakken te krijgen steeds voor zich uit snellen 'als kinderen die rook willen vangen door hun handen dicht te knijpen. Zo slepen zich heel wat twisten voort tussen de scholen terwijl elk de andere verwijt het werkelijke te hebben laten ontsnappen'. Centraal in Bergsons filosofie staan zijn gedachten over tijd, duree. Gewoonlijk wordt de wereld opgevat in een opeenvolging van losse momenten, als een oneindige reeks gegevenheden. Volgens Bergson is dat een te arme, oppervlakkige interpretatie van de werkelijkheid, omdat elk moment ook verleden en toekomst in zich heeft, wat wij op een onmiddellijke manier in ons eigen bewustzijn kunnen ervaren. Hij vergelijkt die intuitie met het afwikkelen van een rol: 'er bestaat geen levend wezen dat zijn einde niet steeds dichter voelt naderen [..]. Maar het is evenzeer een voortdurend oprollen, zoals dat van een draad op een kluwen, want ons verleden volgt ons en wordt steeds voller door het heden dat het onderweg opraapt'. Zo'n tijdsbeleving is volgens Bergson niet alleen een psychologisch fenomeen, maar eveneens kenmerkend voor de werkelijkheid zelf, die wezenlijk vloeiend en veranderlijk is, hoezeer de wetenschap en de dagelijkse ervaring van de mens ook van een statische wereld uitgaan, die de dingen fixeert: 'Het verstand doet zijn best om in de levende beweeglijkheid van de dingen werkelijke of mogelijke stations te markeren, het noteert aankomst- en vertrektijden [..]. De filosofie moet een poging zijn om boven het menselijk tekort uit te stijgen'. Dergelijke opvattingen zijn in de Engelstalige filosofie nooit aangeslagen. Typerend is de reactie van Bert-rand Russell, die Bergsons theorieen slechts als een poetische inspanning opvat, 'not capable of either proof or disproof'.

Voor de Duitse filosofie was Bergson misschien niet systematisch of grondig genoeg. Bovendien zag men hem daar eerder als een late loot aan de stam van de Duitse metafysische traditie uit de negentiende eeuw. En niet helemaal ten onrechte; zijn metafysica en kentheorie vertonen bij voorbeeld een aantal treffende overeenkomsten met die van Schopenhauer.

In tegenstelling tot de populariteit van Sartre en Foucault liep die van Bergson in Frankrijk reeds tijdens zijn leven terug; eigenlijk al vanaf de eerste wereldoorlog, hoewel hem in 1928 nog wel de Nobelprijs voor literatuur wordt toegekend. Misschien ligt zijn belang uiteindelijk meer in de invloed die hij in de literatuur heeft gehad, met name op Proust en Gide.

Maar ook een aantal losse filosofische observaties kan de tijd doorstaan, zoals het beeld waarmee Bergson bekritiseert hoe Kant en Aristoteles onze kennis in onveranderlijke begrippen en categorieen gefixeerd zien, als geprogrammeerde hard ware, zouden we nu zeggen. Bergson ventileert zijn scepsis mooier; als er zo'n voorgevormde logica zou zijn, schrijft hij, dan 'belichten de grote ontdekkingen slechts punt voor punt de reeds van tevoren getrokken lijn, zoals op een feestavond een voor een de gaslampen ontstoken worden die reeds de contouren van een monument doen uitkomen'.

Zo'n beeld blijft je bij.