In Nederland hoeft cultuur niet duur te zijn

AMSTERDAM, 7 juli Tussen de concertzalen in de culturele wereldsteden neemt het Amsterdamse Concertgebouw met kaartjes voor tachtig gulden de zesde plaats in als het gaat om de hoogste toegangsprijzen voor concerten. Dat is een van de conclusies van het rapport 'Prijzen gerangschikt', dat de Boekmanstichting vorige week publiceerde na een 'internationaal vergelijkend onderzoek naar toegangsprijzen voor podiumkunsten'.

De algemene teneur van het rapport is dat het een misvatting is te menen dat de toegangsprijzen voor cultuur in dit land zo laag liggen.

Het rapport van de wetenschappelijk werkende Boekmanstichting is geschreven door drs. Dos Elshout in opdracht van het Amsterdams Uitburo en het Overleg grote theaters. Het rapport is bedoeld als een bijdrage in een discussie, die volgens de opdrachtgevers al vele jaren lang gaat over de rol van subsidies en de vraag of het terecht is dat de overheid zoveel geld in de kunst steekt en wie ervan profiteren.

De opdrachtgevers concluderen op grond van het rapport 'dat de beweringen over het lage Nederlandse prijsniveau in internationaal perspectief beslist enige correctie behoeven.'

Want, zo stellen zij, 'de toegangsprijzen van de onderzochte Amsterdamse accomodaties liggen op het terrein van muziek, toneel en ballet/dans internationaal gezien boven het gemiddelde, met name bij het Concertgebouw is dit het geval.' Het rapport is volgens de opdrachtgevers uniek omdat, voorzover bekend, er aan internationale prijsvergelijking op cultureel gebied praktisch nooit iets is gedaan. Maar ook na dit eerste rapport ligt het onderzoek op dit terrein nog nagenoeg braak. Onderzoeker Elshout lijkt zich dat bewust in zijn woord vooraf: 'Het onderzoek is verkennend en indicatief van aard. () De bedoeling hiervan is de materie te verhelderen en niet de suggestie te wekken van statistische gegevens waar geen speld is tussen te krijgen.' Maar zelfs met al die voorbehouden is het de vraag of de resultaten van het onderzoek wel indicatief zijn, of op zijn minst enigszins representatief voor de werkelijkheid. Bovendien is het onzeker of de opdrachtgevers gerechtigd zijn op grond van een zo vluchtig onderzoek te concluderen dat in Nederland de prijzen van cultuur niet laag liggen. Het lijkt erop dat uitsluitend is gezocht naar de weinige 'dure' losse kaartjes en dat welbewust is voorbijgegaan aan de vele goedkopere mogelijkheden van cultuur te genieten.

Nemen we als voorbeeld de toegangsprijzen in het Amsterdamse Concertgebouw. Het onderzoek van Elshout beperkte zich tot de maanden oktober en november van vorig jaar. De laagste prijs die volgens het rapport in het Concertgebouw voor een concert moest worden betaald was fl. 22.50 en de hoogste fl. 80,

Maar losse kaartjes voor de Vara-matinee op de Vrije Zaterdag kosten niet meer dan fl. 19.50 en de gratis lunchconcerten op woensdag telden in het onderzoek niet mee.

Het duurste kaartje (tachtig gulden) moest worden gekocht voor het Pittsburgh Symphony Orchestra. Daarmee kwam Amsterdam volgens het onderzoek dus als zesde op de wereldranglijst, na Carnegie Hall in New York (111 gulden), de Berlijnse Philharmonie, de Alte Oper in Frankfurt, de Royal Albert Hall in Londen en Le Chatelet in Parijs.

Was het onderzoek echter uitgevoerd in deze maand juli, dan was het duurste kaartje fl. 175, geweest voor het optreden van Placido Domingo. Als er in dezelfde tijd bij toeval geen dure wereldsterren waren opgetreden in New York, Londen, Berlijn, Frankfurt en Parijs, maar ook niet in Brussel, Antwerpen, Oslo, Stockholm en Arhus, dan was het resultaat van het onderzoek geweest dat Amsterdam met fl. 175, veruit de duurste plaats ter wereld is voor concertbezoek.

Niet het niveau van de hoogste prijzen van losse kaarten voor concerten met een incidenteel karakter doet in zo'n onderzoek terzake, maar de prijs die voor de 'normale' concerten worden betaald door het 'normale' publiek. In de Nederlandse concertzalen en ook in het Amsterdamse Concertgebouw hebben de meeste bezoekers een abonnement. Voor een concert van het Concertgebouworkest betalen zij dus niet de prijs van fl. 50, voor een los kaartje maar fl. 37.50. Volgens Elshout wordt in het Concertgebouw voor andere binnenlandse orkesten ook een maximumprijs van fl. 50, gevraagd, al voegt hij eraan toe: 'Dan is vaak het bedrag zelfs iets lager.'

Die fl. 50, geldt echter uitsluitend voor het Concertgebouworkest, voor een concert van het Nederlands Philharmonisch Orkest in het Concertgebouw kost een losse kaart fl. 22,50. Abonnees zitten daar dan voor fl. 15, per keer.

Van de Vara-concerten wil Elshout kennelijk niets weten. Voor een concert in de Vara-matinee betaalt de abonnee voor dertig concerten per seizoen slechts fl. 9, per keer. Zonder enig onderzoek durf ik wel te stellen dat bij de Vara de verhouding prijs/kwaliteit uniek ter wereld is. Aan dat gegeven gaat het onderzoek van Elshout geheel voorbij, hij is alleen geinteresseerd in de duurste kaartjes. En ook de opdrachtgevers schijnt het niet uit te komen te pronken met deze culturele verworvenheid.

Voor negen gulden woonde de Vara-abonnee onlangs bovendien een fenomenale concertante uitvoering bij van Strauss' Die Frau ohne Schatten, een evenement dat ook was opgenomen in het Holland Festival en waarvoor de koper van een losse plaats minimaal fl. 35, en maximaal fl. 60, moest betalen. Ook als men vier tot zeseneenhalf maal die negen gulden betaalde, was men hier voor een vocaal meer dan voortreffelijk bezet operaconcert nog redelijk voordelig uit, zelfs internationaal gezien.

Ook echte 'dure' concerten, zoals de serie 'Recitals door grote solisten' in het Concertgebouw in het komende seizoen, zijn in abonnement relatief goedkoop: voor fl. 200, woont men vier recitals bij van beroemdheden als Isaac Stern, Yo Yo Ma en Emanuel Ax, Itzhak Perlman en Bruno Canino, Vladimir Feltsman en Kiri Te Kanawa. Voor een losse plaats bij Te Kanawa betaalt men fl. 100, voor de andere evenementen fl. 50, tot fl. 75,

Mijn conclusie zou zijn dat het Amsterdamse publiek dat zo handig is een abonnement te kopen, hier toch relatief goedkoop uit is.

Vara-matinee

Uit de massale belangstelling voor de abonnementen blijkt dat het publiek ook inderdaad zo handig is. De hoge prijzen van tachtig en honderd gulden voor losse kaarten worden dus in de praktijk slechts door weinig bezoekers betaald en zijn daarom geen werkelijke indicatie voor de mate waarin het publiek daadwerkelijk meebetaalt aan kunst. Het woord abonnement komt in het rapport van Elshout zelfs niet voor, aan lezing daarvan kan men slechts het idee overhouden dat altijd en overal slechts losse kaarten worden verkocht.

Bovendien wordt in het onderzoek geen onderscheid gemaakt naar gesubsidieerde en niet-gesubsidieerde evenementen. De prijzen van de Vara-matinee worden bij voorbeeld laag gehouden door de Vara zelf, die daarbij ook financiele hulp krijgt van het Fonds Culturele omroepprodukties. Het gaat hier immers in wezen om een serie zaterdagse concerten die de volgende maandagavond via de radio worden uitgezonden. Het publiek woont dus een radio-opname bij, die echter een sterke gelijkenis vertoont met een gewoon concert. Het Concertgebouworkest en het Nederlands Philharmonisch Orkest worden door de overheid gesubsidieerd. Maar de concerten van Domingo, van 'Wereldberoemde Orkesten' en van de 'Grote solisten' zijn afgezien van de sponsoring puur commerciele affaires, waarbij de directie van het Concertgebouw via een aparte stichting het management voert. Daarnaast organiseren ook andere commerciele impresario's ongesubsidieerde recitals en concerten in het Concertgebouw, ook van buitenlandse orkesten, zoals het Londense Van Walsum-management doet. Het publiek betaalt hier dus wel degelijk een groot deel van de kosten of zelfs alle. Maar ook dat staat nergens in dit rapport.

Bij het beantwoorden van de vraag in hoeverre het publiek nu meebetaalt aan de kunstuitvoering is niet de prijs van het losse kaartje van belang, maar het percentage dat de kassa-opbrengst uitmaakt van de dekking van de totale kosten. Verder moet dan worden bezien in hoeverre de rest van de kosten wordt betaald door subsidiering en sponsoring. Wie zinnige uitspraken wil doen over de mate waarin het publiek meebetaalt aan gesubsidieerde en/of gesponsorde kunst, moet ook de hoogte van de belastingdruk in aanmerking nemen en onderzoeken welke inkomensgroepen werkelijk deelnemen aan het kunstleven. Via de fiscus betaalt een deel van het publiek immers mee aan gesubsidieerde kunst en hetzelfde geldt voor sponsoring: een onderzoek naar het complete consumptiepatroon van concertbezoekers hoort er dan ook bij.

De sponsorgelden worden tenslotte niet betaald uit de winst van de sponsor. De bijdragen van sponsors zijn geen pure liefdadigheid, maar komen voort uit zakelijke overeenkomsten, waarbij in ruil voor naamsvermelding (reclame) een bedrag ter beschikking wordt gesteld dat afkomstig is van een pr- en reclamebudget. Voor de sponsor is dat een kostenpost, die wordt doorberekend aan de consument. Iedere eter van een gevulde reep en elke automobilist die tankt bij een benzinestation van een bepaald merk en ook iedere klant van die bank betaalt zo mee aan de gesponsorde evenementen. En net zoals men in de discussie over het profijtbeginsel zich kan afvragen of het redelijk is dat de fabrieksarbeider die nooit in het Concertgebouw komt, meebetaalt aan het KUNST -genot van de elite, kan men de vraag opwerpen of sponsoring wel een eerlijke en redelijke verdeling van de kosten van kunst oplevert. Bij die gesponsorde concerten komen immers ook eters van andere candybars, ze zitten er naast klanten van het openbaar vervoer en drinken koffie temidden van mensen in het bezit van een girorekening.

Voor werkelijk inzicht in de internationale verschillen in de verdeling van kosten van culturele evenementen is veel fundamenteler onderzoek nodig dan dit rapport van de Boekmanstichting, dat daarvoor zelfs geen aanzet mag heten en snel in elkaar is gezet via fax en telefoon. Daarom ook Elshout zelf maar eens opgebeld. Hij is inderdaad net naar WVC geweest om te pleiten voor vervolgonderzoek. Voor hij aan het onderzoek begon wist hij weinig van de podiumkunsten en inmiddels wat meer, vertelt hij. Zelf vindt de onderzoeker de resultaten nog zo zweverig dat ze beter moeten worden verankerd. 'Wat er nu ligt is eigenlijk niet meer dan een slag in de lucht.'

    • Kasper Jansen