In de jungle van de dierentuinen

Het is allemaal erg snel gegaan. Niet lang geleden, toen volgens de dichter geluk nog heel gewoon was, gold de dierentuin als een gezellig uitje. De dieren zaten er klaar om ons, elk op eigen wijze, te vermaken: sommige waren koddig, anderen eng of gevaarlijk. Verder was er een niet onaanzienlijk aantal lieve dieren, die werden beloond met apenoten en oud wittebrood.

Sindsdien hebben nieuwe inzichten veld gewonnen. Dierentuinen zijn geevolueerd tot semi-wetenschappelijke instellingen, die zich bezighouden met de educatie van wat men 'een leergierig, dier-minded publiek' noemt. Voor zover dat nog mogelijk is, richten zij zich bovendien op natuurbehoud. Ze zetten daartoe databanken op, ontwikkelen fokprogramma's en gaan door middel van internationale partnerruil inteelt tegen. Zelfs verlenen ze naar vermogen medewerking aan expedities die niet, zoals vroeger, zijn bedoeld om dieren te vangen maar alleen om hen te bestuderen. Zo werd onlangs met hulp uit deze sector een onderzoek gedaan in het regenwoud in Frans Guyana. Daarvoor maakte men gebruik van een onder een zeppelin hangend platform van glas, dat was uitgerust met vleermuisvallen, insektenschermen en lasers. Het miljoenenproject leek bedacht door Jules Verne in een voor zijn doen ongeremde bui, maar de medewerking van elf wetenschappelijke instituten wees erop dat deze luchtreis een reele basis had.

Lachen

Tot de Nederlandse deelnemers behoorde Ouwehand's Dierenpark in Rhenen, nu net de enige dierentuin in Nederland die zich ook nu nog voordoet als een oord van ouderwets vermaak. Hoewel een folder verzekert dat maar liefst tweeduizend dieren aan de voet van de Grebbeberg 'in hun natuurlijke omgeving' als buren met elkaar leven, wordt nadrukkelijk gesteld dat er 'heel wat' valt te lachen. Het publiciteitsmateriaal wekt zelfs de indruk dat het hier een soort pretcentrum betreft: een serie plaatjes toont extreem blije beesten, waaronder een schuddebuikende beer, proestende pinguins en een olifant die zo moet lachen dat hij er bijna in blijft.

Dat het binnen de hekken van deze natuurlijke leefgemeenschap een vrolijke boel is, moet ten overvloede blijken uit een levensgrote afbeelding bij de ingang van twee schaterlachende gorilla's. Ook de autolobby doet zich daar gelden: met een korte maar cryptische tekst proberen de Bovag en de RAI aan te geven dat het (als ik het goed heb begrepen) gezellig is 'samen met de auto' dieren te bekijken. Wie na deze apekool niet onmiddellijk rechtsomkeert maakt, merkt in het park zelf dat het gelach blijkbaar is verstomd. In plaats van, zoals beloofd, leuk op de bezoekers te reageren, liggen op een woensdagochtend de meeste dieren suffig in de zon. Een uitzondering vormen de twee dolfijnen die, anders dan elf soortgenoten, het verblijf in het Dolfirena hebben overleefd en nu manmoedig kunstjes uithalen met de 'grappige' zeeleeuwen.

Gezien de diepe rust die elders heerst, is er alle gelegenheid de educatieve toelichtingen op de tralies door te nemen. De informatie is compact, maar wie de ronde doet komt heel wat over de dierenwereld aan de weet: het ei van een struisvogel weegt anderhalve kilo, het wijfje van de Rothschild-giraffe baart staande haar jong, het vlees van de waterbok is taai en ranzig, de Aziatische olifant drinkt per dag honderd liter water, de tijgerpython kan varkens verorberen en zo is er nog veel meer.

Wat ontbreekt is een verklaring voor de grote verschillen die ook hier bestaan tussen meer en minder bedeelden. Zo te zien is er een wet die voorschrijft dat de omvang van het hok omgekeerd evenredig moet zijn aan die van het dier, maar afgezien daarvan ontbreekt zowel in Ouwehand als in Burgers Dierenpark te Arnhem alle logica. Poolvossen en sommige apen kniezen in armoedige hokken terwijl, bij voorbeeld, de dartele gibbons drie eilanden met klimapparatuur tot hun beschikking hebben; zo ook zit een kookaburra achter slot en grendel zijn tijd uit naast papegaaien, die vrij hun kooi in en uit kunnen vliegen. Wel heel schril is het contrast tussen een schildpad in Arnhem en een vergelijkbaar exemplaar in Rhenen: de eerste beweegt zich ontspannen voort in een riante ruimte van zand, water en groen, de tweede doet voortdurend pogingen uit zijn krappe betonnen bak te klimmen. Zijn vruchteloze strijd met het noodlot levert een aangrijpend schouwspel op.

Net als in de mensenmaatschappij is het streven er in de dierentuinen tegenwoordig op gericht de levensomstandigheden voor brede lagen te verbeteren. De mensapen van Burgers hebben al weinig meer te klagen en zelfs de wolven kunnen er redelijk uit de voeten, al maken zij in hun aangeharkte dennenbos een ontheemde indruk. Vandaar misschien dat het Gelderse park niet tot de verbeelding spreekt. 'O, je hebt hier alleen maar wolven, verder niks', zei een jongen teleurgesteld, zijn moeder meetrekkend naar een interessantere attractie.

Een voorlopig hoogtepunt van de moderniseringsgolf is de uitbreiding van dierentuinen met stukjes regenwoud, een innovatie die aangeeft dat deze branche zich sterk maakt voor de instandhouding van de vrije natuur. Ouwehand bereidt nog de aanleg voor van een 'onvervalste' jungle van vijftig bij vijftig meter, maar bij concurrent Burgers is men al enige tijd welkom in een tropisch oerwoud, dat onderdak vond in een hal van 250.000 kubieke meter. Vanwege het unieke karakter van deze voorziening, wordt veel werk gemaakt van voorlichting. Onvoorbereide bezoekers doen er goed aan, aldus een folder, zich kalm te gedragen, rustig te lopen en hun eigen kunnen niet te overschatten. Dat laatste is van belang omdat in deze vochtige, warme Bush de paden, zo waarschuwt Burgers, 'net als in de tropen niet altijd even prettig' zijn. Wie steile hellingen, 'opdringerige plantengroei' en andere ongemakken voor lief neemt, ziet echter de wonderen der natuur: miljoenpoten, vuistgrote vlinders, angeilloze bijen, blauwe vliegenvangers en huizenhoge kamerplanten die soms, net als de hibiscus thuis, vol luis zitten.

Tegenvoeter

In het water leven bovendien kaaimannen (bedreigd door de leerindustrie) en waterzwijnen, volgens de toelichting gezellige dieren die, zo verraadt hun oogopslag, een door en door goedig karakter hebben. Minder opvallend zijn de Afrikaanse mieren die zich zo snel voortplanten, dat Zuidafrikaanse padden tegen hen in het geweer zijn gebracht. Deze padden worden sindsdien weer in toom gehouden door een Surinaamse tegenvoeter, die op zijn beurt vroeger of later de mens tegenover zich vindt. Want hij is het die in Burgers' biotoop het wankel evenwicht bewaart.

Zijn invloed is duidelijk waarneembaar in het aangrenzende Safaripark, waar elanden, antilopen, zebra's, giraffen en neushoorns binnen de daartoe gestelde grenzen van hun vrijheid genieten. Gezien vanuit een treintje, roepen vooral de katachtigen gemengde gevoelens op. De jachtluipaarden hebben nog wel wat, maar de leeuwen wekken in vergelijking met hun gepokte en gemazelde verwanten in Afrika een gezapige indruk. Het zich gemakkelijk makend in hun Veluwse pannekoekenbos vormen ze een toonbeeld van burgerlijkheid: een groepje weldoorvoede, oppassende Hollanders die hun rechten kennen. 'We zitten hier de hele dag te kijk, maar om half zes moet het afgelopen wezen', lees je in hun ogen. 'Het is onzinnig om voor die enkeling, die om zes uur nog gauw even een leeuw wil zien, de zaak open te houden.' Zo worden in de door de mens bestuurde natuur ook de roofdieren alledaags. Zelfs een schim van een in het wild levende vos zou die woensdag opwindender zijn geweest. Maar tijdens een wandeling in de bossen rond de Bush was niks te zien, zelfs een konijn kon er niet af.