HULP HELPT NIET

De Wereldbank heeft zojuist een lening van tientallen miljoenen dollar aan Tanzania verstrekt ten behoeve van wegenbouw. Het geld zal gebruikt worden om verbeteringen en onderhoud te financieren van wegen die met de voorafgaande zes wegenbouw-leningen in Tanzania zijn gefinancierd.

Tanzania heeft de afgelopen twintig jaar tien miljard dollar aan ontwikkelingshulp ontvangen. Het land is in die periode armer geworden en verslaafd geraakt aan hulp. De vraag is wie voor dit resultaat verantwoordelijk zijn geweest: de Tanzaniaanse autoriteiten die ontwikkeling verwarden met zelfvoorziening en staatssocialisme, of de hulpverstrekkers die Tanzania hebben bedolven onder adviezen, technische missies en leningen.

Voor Graham Hancock, een Britse journalist - hij was onder meer correspondent in Oost-Afrika voor The Economist - is het antwoord duidelijk: hulp helpt niet. De zestig miljard dollar die de westerse wereld in totaal jaarlijks besteedt aan officiele ontwikkelingshulp (van land tot land en via internationale organisaties), is weggegooid geld. Het is verspilling van belastinggeld uit de rijke landen, zonder dat daarop enige controle is. Arme mensen zijn beter af als ze geen hulp ontvangen; armoede in de Derde wereld blijft niet zozeer in stand ondanks hulp, maar als het gevolg van hulp.

De enigen die volgens Hancock van de hulp profiteren, zijn vertegenwoordigers van de elite uit de ontwikkelingslanden, de technici werkzaam in de projecten en de stafleden van de internationale instellingen zoals de Wereldbank en de VN-organisaties. Zij vormen een machtige lobby, een nieuwe klasse die uit eigenbelang de mythe in stand houdt dat ontwikkelingshulp goed doet. Ze zijn de Lords of Poverty, de baronnen van de armoede.

Hancock pleit niet voor meer hulp, het geijkte CDA-PvdA pleidooi in Nederland als het over ontwikkelingslanden gaat, en evenmin voor een betere besteding van de beschikbare hulpgelden. Hij stelt de hulp als zodanig ter discussie. 'Dit boek is een aanval op een groep rijke en machtige bureacuraten die bezit hebben genomen van onze vrijgevigheid, 'begint hij Lords of poverty, waarna tweehonderd pagina's gedocumenteerde kritiek op de veelal rampzalige resultaten van ontwikkelingshulp volgen.

Lords of Poverty bevat een beschrijving van de internationale instellingen die zich met hulp bezig houden. De talrijke VN-organisaties, het Internationale Monetaire Fonds en de Wereldbank passeren de revue. Hancock besteedt aandacht aan bekende hebbelijkheden, zoals de geldverslindende jaarvergaderingen van het IMF en de Wereldbank, de dictatoriale manier waarop Edouard Saoema de VN-landbouworganisatie FAO leidt, de reislust van de ontwikkelings-jet set en de exorbitante, belastingvrije salarissen die in ontwikkelingsorganisaties betaald worden. Zoals een VN-functionaris rechtvaardigde: 'Als je topmensen wilt hebben, moet je topsalarissen betalen. Als je 'peanuts' betaalt, krijg je apen'. Maar met die topsalarissen blijft het resultaat van alle VN slogans voor een eerste, tweede en derde ontwikkelingsdecade, voor het jaar van de daklozen, de week van solidariteit met mensen die tegen racisme strijden, de dag voor informatie over ontwikkeling nihil.

Beschrijvingen van mislukte projecten, van 'witte olifanten' (geldverslindende prestige-objecten) of van met hulp gesubsidieerde projecten waarbij geen rekening is gehouden met de werkelijke kosten (zodat blijvende subsidiering noodzakelijk is of het project zonder hulp wegkwijnt) zijn eveneens in andere publicaties te vinden. Hancock voegt er twee elementen aan toe: de afwezigheid van openbare verantwoording, van controle op de bestedingen en meting van de resultaten als het gaat om ontwikkelingsprojecten. En de arrogantie van de ontwikkelingsbureacraten, die vanuit een comfortabele positie beslissen wat goed voor de armen is. De armen, de inheemse bevolking en het milieu zijn volgens Hancock de slachtoffers van de hulp. Ter staving van die bewering haalt hij enkele beruchte Wereldbank-projecten aan: het Polonoroeste programma in Brazilie (kolonisatie van het zuidwestelijke Amazonegebied), het Transmigratie-programma in Indonesie (gedwongen verhuizing van Javanen naar andere eilanden) en de bouw van stuwdammen in India. Hancock citeert gegevens van de evaluatie-afdeling van de Wereldbank uit 1987, waaruit blijkt dat uit een steekproef van 189 projecten wereldwijd niet minder dan 106 (56 procent) 'een totale mislukking' was of 'ernstige tekortkomingen' had. In Afrika ten zuiden van de Sahara blijkt drie kwart van alle landbouwprojecten te mislukken.

Niet alle voorbeelden die Graham Hancock aanhaalt, zijn even overtuigend. Maar de verdienste van zijn boek is dat hij heilige huisjes omverhaalt. Meer hulp wordt, ook in Nederland, veelal beschouwd als een een vanzelfsprekend goede zaak, zowel politiek, economisch als moreel. Hulp, beweert Hancock, 'is mogelijk het grootste obstakel voor de productieve inspanningen van de armen. Het is een ontkenning van hun mogelijkheden en een belediging voor hun unieke, niet als zodanig herkende capaciteiten.' Lords of Poverty is echter zo generaliserend, dat de verschillen in economische prestaties tussen landen niet eens genoemd worden. Voor zover het boek aandacht besteedt aan slecht binnenlands beleid is het om te vermelden dat dit door buitenlandse hulp ondersteund wordt. Uit de enorme hoeveelheid beschikbare gegevens trekt Hancock evenwel niet de conclusie dat de kwaliteit van het binnenlandse beleid wellicht de grootste afzonderlijke factor is die het economische succes of de mislukking van landen bepaalt. Daarvan zijn talrijke voorbeelden te geven, vooral uit Azie, maar ook uit Latijns-Amerika en zelfs uit Afrika.

De kracht van Hancocks boek is niet zijn economische inzicht in het ontwikkelingsvraagstuk, maar zijn analyse van de ontwikkelingselite en de ontzenuwing van hun steeds weer herhaalde bewering dat hulp essentieel is voor de arme landen om te overleven. Voor stafmedewerkers van hulporganisaties is het daarom verplichte lectuur. Ze zullen veel in het boek herkennen.