HEROPHILUS EN DE UITVINDING VAN DE VIVISECTIE

De Griekse arts Herophilus (320-250 vC) meende dat de aders van de mens gevuld waren met lucht, dat sperma een bezinksel was van bloed, en dat blindheid bestreden kon worden met een mengsel van hyena-gal en krokodilledrek. Toch wordt hij gezien als een van de belangrijkste medische wetenschappers uit de oudheid. Zijn naam mag tegenwoordig iets minder bekend zijn dan die van de 'vader der geneeskunde' Hippocrates, maar zijn baanbrekende onderzoekingen op het gebied van anatomie en fysiologie zijn tot ver in de negentiende eeuw toonaangevend geweest. Elke dokter die de pols van een patient voelt, is een verre erfgenaam van Herophilus, die als eerste systematisch diagnoses stelde aan de hand van afwijkingen in de polsslag.

Herophilus werd geboren in Chalcedon, een onooglijk plaatsje aan de Bosporus dat vanwege de slechtgekozen lokatie in de oudheid werd aangeduid als 'Stad der Blinden'. Over zijn leven is verder weinig bekend, maar zeker is dat hij zijn opleiding kreeg bij de gerenommeerde arts Praxagoras, die net als Hippocrates afkomstig was van het 'dokterseiland' Kos. Na een korte praktijk in Athene verhuisde hij naar de stad die het oude Athene inmiddels overvleugeld had als centrum voor kunsten en wetenschappen: Alexandrie, de hoofdstad van Ptolemaeisch Egypte. In deze smeltkroes van Griekse en Egyptische cultuur werkte hij zich op tot de belangrijkste arts van zijn tijd en de stichter van een 'Herophiliaanse school'.

De roem van Herophilus was al groot bij zijn tijdgenoten. Hij was de ontdekker van het zenuwstelsel en de eierstokken (die hij zag als de bewaarplaats voor vrouwelijk zaad), ontleedde als eerste de menselijke lever, hersenen en klieren, benoemde de twaalfvingerige darm (dodekadaktylos), en beschreef nauwgezet de vliezen van het oog, de geslachtsorganen en het bloedvatenstelsel. Nog meer tot de verbeelding sprak de manier waarop hij tot zijn ontdekkingen kwam. Veel klassieke bronnen benadrukken dat hij, samen met zijn collega Erasistratus, daartoe misdadigers uit de koninklijke gevangenis opensneed: 'en terwijl dezen nog gewoon leefden, bekeken de wetenschappers datgene wat door de natuur voorheen verborgen was gehouden.'

VIVISECTIE

Herophilus geldt dus ook als de 'uitvinder' van de vivisectie op mensen. Zijn Griekse voorgangers (onder wie de universele wetenschapper Aristoteles) experimenteerden wel met dieren om iets te kunnen zeggen over de menselijke anatomie, maar hadden altijd geweigerd om in lijken te snijden - laat staan dat ze zich waagden aan levende lichamen. In de klassiek-Griekse cultuur was het menselijk lichaam onaantastbaar, bijna heilig. Het onteren van gestorvenen, zelfs van gesneuvelde vijanden, was taboe, en hoogstens onderwerp voor een vooruitstrevende tragedie. Herophilus zag er kennelijk geen been in dit taboe te doorbreken. De vraag is dan natuurlijk: hoe kwam hij daartoe? Zoals bij veel (oud)historische figuren is het moeilijk iets te zeggen over de motieven van Herophilus. Ego-documenten heeft hij niet nagelaten. Bovendien is er van de acht boeken die hij over medische kwesties heeft geschreven niet een overgeleverd. Alles wat wij over hem weten, komt uit fragmenten en citaten bij latere schrijvers: Herophilianen die zijn werk voortzetten in Alexandrie en Laodicea in Klein-Azie, Romeinse doktoren die de kennis van hun voorgangers verzamelden in medische handboeken, en kerkvaders die zich in hun geschriften afzetten tegen de vivisectiepraktijken van de heidense Alexandrijn. Geen van deze bronnen geeft aan hoe Herophilus zich ontworstelde aan het taboe op het snijden in mensen, maar het ligt voor de hand een verklaring te zoeken in het sociaal-intellectuele klimaat waarin Herophilus opereerde.

Alexandrie, in 332 door Alexander de Grote gesticht als hoofdstad van zijn rijk, was een stad die bloeide door de wisselwerking van de Griekse en de Egyptische cultuur. Op medisch gebied kon Egypte bogen op een lange traditie. Het kende zelfs een klasse van specialisten die zich bezighield met het behandelen van wonden (zij het zonder antiseptica) en het maken van geneesmiddelen, die werden samengesteld uit de faecalien van de meest exotische dieren. Toch was het niet de zogenaamde Dreckapotheke of de ervaring van de Egyptische medici die Hero-philus stimuleerde. Veel belangrijker was het feit dat onder invloed van de Egyptische mentaliteit bepaalde Griekse taboes verdwenen. Zoals de Ptolemaeische heersers met hun zusters trouwden en daarbij verwezen naar het voorbeeld van de Egyptische farao's, zo schrok Herophilus er niet voor terug het lichaam van de mens open te maken omdat generaties Egyptenaren dat hadden gedaan bij het mummificeren.

FRONTIER

De invloed van de Egyptische 'frontier' op de Griekse geneeskunst van Herophilus is een van de kwesties die Heinrich von Staden aansnijdt in zijn onlangs verschenen boek Herophilus - The Art of Medicine in Early Alexandria. Voor het eerst zijn alle getuigenissen over de Alexandrijnse dokter verzameld, vertaald en van commentaar voorzien - of ze nu afkomstig waren uit het Latijn, het Grieks of het Arabisch, uit de oudheid of de middeleeuwen. Verdeeld over negen hoofdstukken illustreren de 293 korte en langere fragmenten de verschillende aspecten van Herophilus' leven en werken: zijn carriere (van provinciaal tot topwetenschapper, een soort 'Hellenistic Dream'), zijn anatomische en fysiologische onderzoekingen, en zijn invloed op de volgende generaties.

Herophilus staat vol met mooie anekdotes over antieke behandelwijzen en verhitte medische polemieken, maar minstens even interessant zijn de inleidingen die Von Staden bij elk hoofdstuk schreef. Hierin tekent hij de maatschappelijke context van Herophilus' prestaties en gaat hij in op de vragen die de Alexandrijnse fase in de medische geschiedenis oproept. Waarom, bij voorbeeld, gingen de opvolgers en leerlingen van Herophilus niet verder op de ingeslagen weg, en verdween de zo vruchtbare menselijke vivisectie even snel als zij was opgekomen? Von Staden zoekt de verklaring voor deze raadselachtige terugslag in een aantal belangrijke ontwikkelingen die zich voltrok na de dood van He-rophilus. Allereerst verloren de Griekse doktoren in Alexandrie de steun van de koningen van Egypte. Ptolemaeus III en IV (246-204 vC) waren niet zo actief in het stimuleren van de wetenschap als hun voorgangers. Of dat het experimenteren bemoeilijkte valt niet te zeggen, maar het betekende in ieder geval dat er geen misdadigers meer ter ontleding werden aangeboden.

Een tweede ontwikkeling waarop Von Staden wijst is de groeiende populariteit van een andere stroming in de geneeskunst: het Empirisme. De Empirische school, die rond 250 was gesticht door een van de leerlingen van Herophilus (!), was van mening dat iedere kennis van het algemene onmogelijk was. Voor de Empiristen telde alleen de passieve ervaring (empeiria) van het specifieke geval. Zij hielden zich verre van theoretische speculatie, verklaarden het zoeken naar de oorzaken van ziekten (aetiologie) zinloos, en keerden zich sterk tegen de rationalistische - of zoals ze ook wel werden genoemd, 'dogmatische' - artsen uit de school van Herophilus, een school die zich bezighield met verachtelijke dingen als anatomie en fysiologie.

Relevanter echter dan de Empirische polemieken tegen anatomie of het wegvallen van de proefmensen, was volgens Von Staden een ingrijpende verschuiving in de Alexandrijnse wetenschappelijke belangstelling. In de tweede helft van de derde eeuw was het niet meer toegepaste (natuur)wetenschap die het hoogst in aanzien stond, maar filologie en literaire kritiek. Tekstcommentatoren als Callimachus en Aristophanes maakten de dienst uit in het Museum, het aan de Muzen gewijde 'centre of excellence' van Alexandrie dat vooral bekend zou worden door zijn legendarische bibliotheek. De erfgenamen van Herophilus waaiden mee met de wind: ook zij legden zich toe op tekstkritiek en exegese, zij het dat hun studiemateriaal bestond uit de vele - en vaak ondoorzichtige - geschriften van Hippocrates. Het echte veldwerk, waarmee Herophilus groot was geworden, zou pas weer worden opgevat in de late middeleeuwen.

Herophilus - The Art of Medicine in Early Alexandria is een voortreffelijke wetenschappelijke uitgave van de beschikbare tekstfragmenten over een van de grote wetenschappers uit de klassieke oudheid. De analyses en verklaringen van Heinrich Von Staden zijn misschien niet allemaal even nieuw of verrassend, maar door zijn heldere stijl, en vooral door zijn knappe scheiding van achtergrondverhalen, teksten en tekstkritisch commentaar is zijn boek leesbaar voor zowel de specialist als de leek. Als essentiele bijdrage aan de geschiedenis van de medische wetenschap verdient Herophilus het eigenlijk om bij een volgende druk wat goedkoper en in een populaire handzame editie te worden uitgebracht.