Een samenleving vanaf de onderkant gezien; aan de grond in Amsterdam

Zestig jaar geleden schreef George Orwell zijn inmiddels klassiek geworden Down and out in Paris and London. Hoe is het om anno 1990 in Nederland geen dak boven je hoofd te hebben? Niemand hoeft nog honger te lijden, maar waar moet je naartoe als je geen cent op zak hebt? Geert Mak trok vijf weken op met: 'de jongens van de straat'. Pas toen de dageraad de lucht boven het IJ roze kleurde en de eerste schepenlangskwamen, liep de wereld achter het Amsterdamse Centraal Stationlangzaam ten einde. De meeste meisjes stonden er nog steeds, zo nuen dan bietsten ze een sigaretje bij ons, als een politiebusje voorbijkwam doken we weg, maar het liep af, dat voelde je. 'Drooggeilers, schiet op!' riep Haarlemse Hilga naar de Opeltjes, de Volvo's en de BMW's die maar rondjes bleven rijden. 'Het gaat heel goed, heel goed', fluisterde Astrid terwijl ze voorbij liep na haar zevende klant. 'Weet je, Tommy en ik gaan samenwonen. We krijgen samen een kamer. Samen. In het Hekeltje.'

Hilga was ondertussen met haar boksergezicht, haar trui die nauwelijks over haar kruis reikte en haar blote, door het weer en het leven geteisterde benen midden op de weg gaan lopen. Ze had die hele nacht nog geen klant gehad. 'Komaan jongens, hup. Of moet ik soms m'n slipje ook nog uittrekken?' Op de banken bij het IJ lagen Jan en Marten te slapen, een paar lappen, een paar stukken karton, en een hier en daar uitstekend stuk arm of been. Aan het water lagen er een paar die we niet kenden, de flessen 'zombie' - ultra goedkope vruchtenwijn - naast zich. Op het laadplateautje, vlak naast de middengang van het CS, zat Tommy met een of andere Belg aan de pils. En Erik en ik, wij gingen Ellis wegbrengen. Ellis, die kan loeien als een orkaan, en de halve gracht bij elkaar hoert, jat en bietst en die vervolgens aan je arm hangt, springend en babbelend als een schoolkind. Het was een merkwaardige nacht geweest, een van die lange voorjaarsnachten waarin Erik en ik samen door Amsterdam zwalkten. Erik omdat hij moest, omdat hij geen vast dak boven zijn hoofd had, al jaren niet. Ikzelf als een soort luxe meeloper.

We hadden eerst een poosje in de warmte van het Centraal Station rondgehangen. Zoals iedere nacht waren vanaf een uur of twaalf 's nachts de zes telefooncellen voor de hoofdingang permanent in gebruik. Iedereen die wat heroine gescored had ging daar staan roken of spuiten. We hadden er Ellis en Tommy aangetroffen - 'Laat ons toch even met rust Erikmy, je ziet toch dat we bezig zijn' - maar ook een op het oog keurig gekleed meisje dat, zodra ze in de cel was, wat goochelde met een aansteker, haar rok discreet iets omhoog schoof en geroutineerd de naald in het bovenbeen liet zakken.

Haarlemse Hilga kwamen we even later ook weer tegen, op haar hurken, alsmaar zoekend onder een paar losse tegels. Ze was ziekig - 'God, jongens, het gaat echt niet, ik begin af te kicken, Jezus nog aan toe' - en omdat een dealer hier ooit wel eens zijn werkvoorraad bolletjes verstopt had - geen dealer loopt met zijn volledige voorraad op zak - was dit haar laatste hoop.

Om een uur of drie was er opeens op de Duitse brug een onduidelijk gevecht tussen twee handelaars. Een boel Saranangtongo-geschreeuw, eentje had er met een mes staan zwaaien, maar toen er drie agenten aanstormden had hij dat gauw onder een auto gesmeten. Zodra de messentrekker de boeien om had, was zijn tegenstander plotseling met dat weggegooide mes op hem afgesprongen en het zou een bloederige boel geworden zijn als een vrouwelijke agente zichzelf er, met wapperende blonde haren en al, niet tussen had gegooid.

En toen was er opeens Ellis, in een opperbeste stemming. Ze had maar liefst zes bolletjes versierd, eentje voor Dikke Jaap haar vriend en de rest hield ze nog maar even apart. 'Loop toch nog wat met me op', zei ze, en aan de arm van Erik babbelde ze honderduit. Over het zachte weer. Over een idioot die een paar dagen geleden wat in d'r pils gegooid had, waardoor ze helemaal gek geworden was en zelfs haar eigen Jaap te lijf was gegaan. 'Bij Klaas met de Paardestaart hebben ze dat later ook geflikt. Toen die thuis kwam zag-ie alles bewegen, en overal kwamen zwarte Surinamers uit het behang.'

Haar stem schalde door de stille Warmoesstraat. We kwamen een paar dealers tegen die op haar beginnen te schelden. 'Takkewijf! Rattekut!' Ze hield een beschouwing over een tetanusinjectie die ze gehad had, waardoor ze twee keer achter elkaar ongesteld geweest was. 'Dat hoort zo. Bij vrouwen loopt het vuile bloed altijd via de kut uit het lichaam. Maar hoe dat bij mannen zit weet ik niet. Weet jij dat, Erik?' Toen we bij de pont stonden was ze zich zorgen gaan maken. Zou Jaap wel op haar staan wachten? Zou hij er nog wel zijn? 'Erik', vroeg ze voortdurend, 'Wat denk je, zou hij er nog wel zijn?' Op de terugweg, in het eerste ochtendlicht, liepen we toevallig Haarlemse Hilga opnieuw tegen het lijf. 'Toch nog wat gevangen', riep ze al uit de verte. 'Een dronken man, even snel afgewerkt daar beneden bij de fietsenstalling van het CS, een kwartier bezig geweest, hij kon er niets meer van, maar evenzogoed: twee geeltjes!' Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Erik ken ik nog uit de tijd van het KNSM-eiland, een oud stuk havengebied waar ze nu woningen bouwen, maar dat vorig jaar bewoond werd door zeker vierhonderd mensen, een bonte menigte van illegalen, kunstenaars, zwervers, junks, trippers, alcoholisten, duivels en heiligen. Nu zijn hun bouwsels en hutjes ontruimd, hun caravans zijn weggesleept, en iedereen is weer over de stad verspreid.

Erik is een van de velen. In 193l was George Orwell een van de ruim 1400 zwervers in en rond Londen - hij zou zijn ervaringen later te boek stellen in Down and Out in Paris and London. Nu, bijna zestig jaar later, zijn er in Amsterdam alleen al naar schatting 5000 daklozen, Rotterdam heeft er zo'n 2000, Den Haag 1000 en over heel Nederland zijn er zo'n 20.000. Het overgrote deel bestaat, nog net als in Orwell's dagen, uit mannen. 'Iedere vrouw heeft een jeweetwel, en daarmee komt ze altijd wel onderdak', zo verklaart men op straat dit verschil. Over de preciese aantallen bestaat echter grote onduidelijkheid. Het zwerfcircuit circuleert voortdurend: er zijn er die een paar maanden op straat slapen, dan een poosje onderdak vinden bij een kennis of vriend, dan weer op straat, dan bijvoorbeeld ergens een paar maanden worden opgenomen, soms even op kamers, dan toch weer op straat, enzovoorts. In de officiele opvangcentra voor daklozen, zoals de Hulp voor Onbehuisden, kun je altijd maar een dag of vier blijven, dus sporen enkelen van stad tot stad, en 'springen' zo als het ware van het ene opvangcentrum naar het andere. De meeste daklozen die ik ontmoette waren echter opvallend honkvast. 'Je kent de jongens hier tenminste.'

Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Erik zelf is altijd een buitenbeentje gebleven in deze wereld. Hij heeft ooit in het maatschappelijk werk gezeten, twee scheidingen achter de rug, hij is door zijn vriendin uit huis gezet, aan de grond geraakt en toen ook nog eens ziek geworden. Dat vertelde hij me allemaal, op een regenachtige namiddag, terwijl we bij de Albert Cuyp stonden te wachten tot de markt afliep. Hij beschreef het als een onvermijdelijk neerwaartse spiraal, de situatie waarin je verzeilt raakt als je op straat terecht komt. 'Je eerste neiging is om naar een grote stad te trekken. Daar zijn de meeste mogelijkheden om aan eten te komen en daar zijn ook de meeste plekjes waar je met rust gelaten wordt. Werk krijg je als dakloze niet snel, maar de eerste tijd - en bij sommigen kan dat een of twee jaar duren - heb je ook geen uitkering omdat je geen vaste woon- of verblijfplaats hebt. Maar, omgekeerd, je kunt ook geen kamer of een andere vaste woonplaats krijgen, omdat je geen uitkering hebt.' Het uitkeringsprobleem kan soms verholpen worden door zogenaamde 'postadressen': adressen waar men pro forma woont. Dat kan een hulpverleningsinstelling zijn, maar ook een commercieel pension, een cafe of een gokhal. Bij het eerste soort postadres zitten er vaak allerlei voorwaarden aan vast die veel daklozen als betuttelend ervaren, in de overige gevallen wordt er grof geld voor gevraagd, soms tot honderden guldens per maand. Erik: 'De eerste maanden loop je doelloos door de stad te dwalen, op zoek naar, weet ik veel, nieuwe vastigheid.

Maar na zo'n jaar begint het leven op straat je op te breken. Als je al niet aan de drank verslaafd was, dan word je het wel, alleen al om de kou 'snachts te verdrijven. Degenen die al aan de drank waren worden vuilnisvaten, ze gaan er van alles bij slikken en roken.' Sommigen worden door de GG en GD van de straat geplukt en komen in een psychiatrische inrichting terecht. Er zijn er die 'eruit stappen', zoals Erik het uitdrukt. Vooral in de koude winters van twee, drie jaar geleden is het geregeld voorgekomen dat mensen het IJ of een gracht inliepen. En veel anderen raken, doordat ze hun uitkeringen alleen maar verzuipen en voornamelijk nog op straat wonen, compleet afgekeerd van de rest van de mensheid. Erik: 'Hoe langer je op straat leeft, hoe moeilijker het wordt om uberhaupt nog uit dat wereldje te komen.' Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Lopen, zitten, een sjekje draaien, wachten op niets, en dan de verhalen. Iedereen heeft zijn eigen legende, iedereen is de held in zijn eigen jungle.

Op een zondagochtend zaten Erik en ik met zo'n vijftien 'jongens van de straat' op een brug bij de Utrechtsestraat aan de pils. Om de hoek is Mouwes gevestigd, een koshere delicatessenwinkel, de enige plaats in Amsterdam waar je op zondagochtend om tien uur goedkoop halve literflessen Heineken kunt krijgen.

Het gesprek ging over ouderdom - 'Goed veel bonen eten, daar word je honderd mee, bonen en sju' - over een kennis die wegens leverproblemen 'aan de chocomel moest' en over de mogelijkheid om je tijdens de WK-voetballen in een huis van bewaring te laten insluiten om ongestoord tv te kunnen kijken.

Maar vooral werd er gesproken over de dood. In mijn aantekeningen lees ik: Manus: 'Jan-Willem is dood.'

Henk: 'Godsklere, dan moet ik straks ook nog naar een begrafenis.'

Manus: 'Hij heb zijn eigen doodgereden, gisteren.' Erik: 'Gelukkie dat ik niet bij hem ben ingestapt.'

Manus: 'Aanstaande dinsdag word-ie begraven. 43 jaar was-ie.'

Henk: 'Kun je nagaan hoe stom-ie was, om nu al eruit te stappen.'

Manus: 'Het blijft toch mijn broer.' Erik: 'Een ander had-ie ook kapot gereden, die zal wel in een invalidekar terecht komen.'

Henk: 'Jan-Willem had volgens mij ook helemaal geen rijbewijs, die reed maar wat, ole, lalodiee!' Erik: 'Toch een mooie dood. Je gunt het niemand, maar als je eenmaal kapot bent, ben je ook direct weg.' Jan-Willem, Manus' broer, zit ondertussen op een bankje tien meter achter ons rustig met de oude Simon Slok te praten.

Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Wie aan de grond raakt kan in Amsterdam in een hol in de grond slapen met wat planken erboven - zoals vorig najaar een moeder met drie kinderen op het voormalige KNSM-eiland deed - maar er zijn ook andere mogelijkheden. Onder de bruggen bij het Scheepvaartmuseum bijvoorbeeld. Of rond het CS, onder de viaducten en bij het IJ. Of onder de Schellingwouderbrug, of in een oude goederenwagon op de Rietlanden. Tot voor kort kon iedereen, na een kleine illegale wandeling door de metro-buis, ook terecht in de holtes van de perrons van het metro-station Wibautstraat, maar die mogelijkheid is tegenwoordig afgesloten. Uitstekende slaapplaatsen, zo leerde ik van Erik, zijn in Noord te vinden, op een opslagterrein, of onder de struiken naast de IJ-tunnel. Populair is op dit moment ook het Sarphatipark.

Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Deze opsomming is verre van volledig, en bovendien zijn er meerdere daklozencircuits: illegale buitenlanders, jongeren, jeugd-gangs in de buitenwijken, junks, Noord-Afrikanen, Italianen, Engelsen, hoerenjongens, stuk voor stuk gesloten groepen die min of meer los van elkaar leven. Tussen de druggebruikers en de alcoholisten bestaat zelfs een zekere animositeit. Druggebruikers vinden die Heineken-klanten oude sukkels, alcoholisten vinden de junks maar verwende aanstellers waarvoor van alles geregeld wordt, terwijl er voor een gewone zwerver maar weinig is. De groep niet verslaafde daklozen - want die zijn er ook - heeft nog minder om op terug te vallen - behalve dan de hulp van een paar particuliere liefdadigheidsinstellingen.

Groepscodes zijn schaars, maar ze zijn er wel degelijk. Klikken is taboe. Toen iemand van de groep een geeltje kreeg om een krat pils te halen en niet meer terugkwam kreeg hij de volgende dag flinke klappen. De zwaarste straf is echter een andere: 'zwemmen leren', ofwel de gracht in, want als je op straat leeft is niet pijn of kou maar vocht de ergste vijand. Ik maakte het een keer mee: een Noord-Afrikaan die op de Wallen in een leeg bootje een slaapplaats had ingenomen die blijkbaar van iemand anders was. Terwijl een paar andere daklozen luidkeels op de brug stonden te juichen hing de man in totale paniek aan de wallekant, half in het water, zijn bruingevlekte billen bijna bloot. Even later werd hij door de groep verder de gracht afgejaagd, drijfnat, piepend en jankend van angst, schreeuwend in een onbegrijpelijke taal.

Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Voor wie op straat leeft is iedere nieuwe dag vol dreigende gevaren, narrow escapes en bijna-rampen. De plastic tas met de weinige papieren die je hebt is opeens gegapt. Er is op een of andere postadres een dreigende brief van de sociale dienst binnengekomen. Achter het CS, waar je net een slaapplaats hebt gevonden, is de politie plotseling weer begonnen te jagen. Je laatste rijksdaalder is verdwenen, en daarmee, na een koude nacht, je laatste kans op een kop koffie en een broodje. Maar honger hoeft in Amsterdam niemand te lijden. Om te beginnen zijn er de zusters Augustinessen in de Warmoesstraat, waar iedereen die dat nodig heeft elke ochtend om half twaalf een pakje brood kan halen. Dan is er de Stichting Spreekbuis, een soort huiskamer in de Bankastraat, opgezet door een paar oud-daklozen zelf, met steun van de Hervormde Diaconie. Er is koffie en zelfgemaakte soep, en als je schoenen versleten zijn hebben ze altijd nog wel ergens een ander paar.

Zeer geliefd is ook Moeder Theresa, in de Egelantiersstraat. Iedere dag om kwart voor vier en om half vijf staat er een lange rij mannen en een enkele vrouw te wachten. Binnen, in een grote kale eetzaal met lange tafels wordt dagelijks aan zo'n tweehonderd Nederlandse armen door een paar Indiase nonnen een maaltijd geserveerd. Ze doen dat bescheiden, zonder zelfs maar een vleug van neerbuigendheid, en ik vermoed dat ze vooral daarom zeer populair zijn, zelfs onder daklozen die van de koestering van alle andere hulpverleningsinstellingen niets meer moeten hebben. Bij het gebed aan het begin van de maaltijd prevelt dan ook bijna iedereen mee, de ogen stijf dicht, in de gerafelde jacks, oude jasjes, soms met alleen maar een deken om: 'Heilige Maria, Moeder van God, bidt voor ons zondaars, nu en in het uur van onze dood.'

Bij moeder Theresa hangt de kwaliteit van het eten sterk af van wat de nonnen die dag van diverse Amsterdamse winkels en horeca-bedrijven hebben weten los te peuteren. Je kunt dagen hebben waarop iedereen opeens een hamburger krijgt, of vlees en sla, maar er zijn ook dagen waarop er alleen maar brood is, en dunne soep. De keren dat Erik en ik er aten zat het er meestal tussenin: een soort dikke wortelsoep, met stukjes worst, en bijvoorbeeld een stuk krentenbrood toe, met rozijnen en noten. 'Duur krentenbrood, goed krentenbrood', mompelde onze overbuurman en het gesprek kwam al snel op de kwaliteit van de overige eetgelegenheden aan de onderkant van de Amsterdamse samenleving. Bij Hare Krishna kun je ook elke dag gratis terecht, maar het is er altijd hetzelfde, klaagden mijn tafelgenoten: 'Rijst met bloemkoolstukjes, wortelen en kerriesaus.'

Het Leger des Heils heeft diepvriesmaaltijden, maar daar moet je vrijwel altijd voor betalen. Verreweg de beste maaltijd wordt eens per maand door een dominee op de Wallen verstrekt: 'Heel goed eten, drie gangen, en je krijgt ook nog een tasje met sinaasappels en een rol pepermunt mee. Maar je moet dan eerst wel een kerkdienst uitzitten, waarbij zijn dochter guitaar speelt.' Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Voor iemand die honger heeft zijn er in Amsterdam meer plekken, waar altijd wel wat te vinden is. De oliebollenkraam tegenover het Centraal Station bijvoorbeeld, waar tegen sluitingstijd, rond middernacht, altijd een grote plastic vuilniszak met oude oliebollen buiten wordt gezet. En dan is er natuurlijk de Albert Cuypmarkt. Op zaterdag, tegen het scheiden van de markt, zijn bijna alle jongens van de straat daar te vinden, want dan gooien de kooplieden alles weg wat ze niet tot maandag goed kunnen houden. Maar door de week lopen er toch ook gauw zo'n veertig tot zestig mensen te zoeken in de afvalhopen achter de stallen. Dat gebeurt zeer snel en efficient: iedereen heeft het duidelijk vaker gedaan, en iedereen weet ook dat je dat vlug moet doen, anders beginnen de kooplieden te schreeuwen en te schelden. Sinaasappels met een rot plekje, oude paprika's en komkommers, overjarige mango's, het verdwijnt allemaal razendsnel in de plastic tassen.

De afvalzoekers komen in golven over de markt. Om half vijf begint het al met een paar jonge moeders met kinderen en een enkele bejaarde, redelijk goed gekleed, duidelijk in het bezit van een huis, mensen die niet zo snel weggestuurd zullen worden. Dan, om vijf uur, waaiert de gewone groep van hele en halve daklozen over de markt uit. Op de hoek van de Albert Cuyp en de Ferdinand Bolstraat ontstaat al snel een kleine ruilhandel: 'Ik heb teveel fruit. Heb jij nog bloemkolen over?' Even verderop staat een magere jongen in een korte grijze broek bij een afvalton een stuk rauwe vis te eten.

Tenslotte is er nog een groep die pas na half zes opduikt. Zij zijn meestal zo vies en verwaarloosd dat ze, zolang de kooplieden er nog zijn, direct weggestuurd worden. Daarom lopen ze op het laatst van de markt maar zo'n beetje achter de vuilnisauto's aan, strompelend in hun vodden, soms op blote voeten, de onderkant van de onderkant.

Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Precies drie jaar geleden begon Erik zijn bestaan als dakloze onder de perrons van het metro-station Wibautstraat. Bijna een jaar lang sliep hij er, met een vast groepje van zes man, op een na beginners in het straatleven. Van die zes zijn er twee, Tommy en Henk zogenaamde vuilnisbakken geworden, Oude Karel begon van de andere jongens te stelen en is, voor zijn eigen veiligheid, een poosje in Leiden onder een brug gaan liggen. Erik is de dans ontsprongen - hij heeft sinds veertien dagen een huis - en de overige twee zijn dood.

Brabantse Willem kocht vorig jaar op de pillenbrug voor een maand pillen, slikte ze in een klap naar binnen en is toen op de stoep van het opvangcentrum De Regenboog weggekropen om te sterven. En vorige maand stierf Marcel, 32 jaar oud, opeens aan een hartstilstand, er is nog een busje van de jongens naar de begrafenis geweest. 'Mensen op straat verouderen snel. De meeste daklozen lijken veel ouder dan hun werkelijke leeftijd zou doen vermoeden', vertelde de GG en GD-arts Leen van Trigt me op een avond in de HVO, na zijn zoveelste spreekuur met buitenlanders met afkickverschijnselen, bange en koortsige illegalen, alcoholisten met lever- en maagklachten en een man die hem almaar naliep met een groot litteken over zijn naakte buik.

Volgens Van Trigt is de fysieke slijtage meer een indirect dan een direct gevolg van het buiten slapen: 'Het is het zwerfbestaan als geheel, het feit dat je je niet goed kunt verzorgen en niet genoeg kunt eten, de stress, de drank, het eindeloze zitten en roken. Het is een totaal van factoren.'

Bovendien hebben de meeste daklozen het ook voor die tijd vaak al zwaar gehad. 'Het zijn levensverhalen vol verdriet, die je soms hoort. Want echt, in Nederland kom je niet zomaar op straat terecht. Dan is er meestal al heel erg veel gebeurd.' Van Trigt maakte zich vooral zorgen over het toenemend aantal (ex-)psychiatrische patienten dat op straat rondzwerft. 'Psychotische mensen, schizofrenen, sommigen zijn echt heel zwaar gestoord. Dat zijn mensen die nergens meer komen, de meeste trieste groep eigenlijk. Soms maken ze nog wel eens gebruik van de HVO, maar vaak zie je ze ook gewoon maar wat in de stad rondlopen, vervuild, met van dat touwtjeshaar, terwijl ze hier en daar wat uit een vuilnisbak halen.'

Corps en letterbreedte liggen te ver uit elkaar Op een avond, na een warme dag, was opeens het weer omgeslagen. Er was een koude wind opgestoken, en bovendien begon het te regenen. Op het Amstelveld kwamen we Meindert tegen, een goedige, oudere man waar we wel eens vaker mee hadden zitten praten. Hij had alleen maar een T-shirt en een korte broek aan en hij zat met zijn blote benen rillend op een bankje, met zes lege pilsflesjes voor zich. 'Eigen schuld', zuchtte hij. Hij had zijn uitkering er in een paar dagen doorgejaagd en ook de vier overnachtingen in de HVO had hij voor deze maand al opgesoupeerd. 'We zitten hier allemaal door eigen schuld.'

Erik suggereerde nog een paar trucs om voor de nacht aan onderdak te komen - 'Haal nou een briefje bij de Kruispost, je hoest genoeg van jezelf' - maar Meindert had nergens meer oren naar. 'Geef me nog een pilsje tegen de kou en hou me nog maar even gezelschap, het is allenig genoeg, zo'n hele nacht.'

Aan de overkant van het Amstelveld verscheen Lange Karel, met een grote gele deken om zich heen. Hij keek een prullebak na, vond een oud papiertje van een saucijzenbroodje, likte het af, en stopte het weer terug. 'Nou, nou, nou', mompelden we alledrie. 'Je kunt toch ver heen raken', zei Meindert.

In de huiskamers aan de overkant van de gracht gingen, een voor een, de lampen aan.

De komende weken wordt deze reportage, waarin een aantal namen om redenen van privacy zijn veranderd, vervolgd in het Zaterdags Bijvoegsel. Dank aan de VPRO-radio, die eerder fragmenten uitzond.