De jonge Russen zien nauwelijks om

De Salon der Debutanten in het Ponypark Slagharen bestaat vijf jaar, in een wat stillere hoek van dit Overijsselse pretcentrum is in die tijd de traditie gegroeid om uitingen van jong Nederlands beeldend talent samen te brengen met die van buitenlandse generatiegenoten. Het gaat om de confrontatie van academieverlaters die hier en ginds bezig zijn met het zoeken van een eigen weg, of menen die net ingeslagen te zijn, het gaat er ook om te onderzoeken of er naast de veelheid van gebaande paden nog wel ruimte overblijft voor het trekken van eigen banen.

Het eerste lustrum van de Salon wordt gemarkeerd door een ontmoeting met de Sovjet-Unie. Twintig schilders, grafici en beeldhouwers die tussen nu en vijf jaar geleden afstudeerden in Arnhem, Enschede, Groningen en Kampen exposeren samen met evenveel collega's die in die periode academies in Leningrad, Moskou en Tbilisi verlieten. De buitenlandse gasten in Slagharen vertegenwoordigen dus de eerste generatie Sovjet-kunstenaars die opgeleid werd in de zich liberaliserende USSR. Hun werk in de paviljoens van Slagharen is terecht niet apart gegroepeerd, het hangt tussen dat van de Nederlandse deelnemers in. De voor de hand liggende uitdaging om, zonder op de naambordjes te letten, het werk van de Nederlanders en de Russen te herkennen zal de bezoeker niet gemakkelijk vallen. De eerste indruk na een inleidende rondgang langs de ongeveer tweehonderd kunstwerken zal juist zijn dat zij in al hun verscheidenheid zoveel overeenkomsten vertonen, maar dat er toch geen geografische of andere categorieen zijn waaronder zij ingedeeld kunnen worden. De verschillen zijn die tussen individuen, tussen beginnende kunstenaars die in Enschede en Leningrad, in Kampen en Tbilisi dezelfde tijdschriften inkijken, door overeenkomstige voorbeelden worden geactiveerd en zowel hier als daar navolgen of zich afzettend. Er is enerzijds een provocerende veronachtzaming van het ambachtelijke met in beide groepen ook voorbeelden van een hang naar het virtuoze. In Groningen en Moskou zijn er restanten van het 'wilde schilderen', een stijl die alleen al door de gedateerde indruk veroordeeld is. Een echte stijl kan niet verouderen. Naast de cultivering van het onbeheerste wordt er hier en ginds onder de jongsten ook weer serieus naar de figuratie gekeken, lang niet altijd in ironiserende zin. Zowel bij ons als bij de Russen zijn de onderlinge verschillen beduidend groter dan die tussen de groepskenmerkende elementen zo die al aan te wijzen zouden zijn.

Na die constatering kan de inleiding in de catalogus (fl. 10,00) door Vjatsjeslav Koetsenko over de positie van het kunstonderwijs in de Sovjet-Unie enige verbazing wekken. Koetsenko is de adjunct-directeur van de Al-Russische Academie in Moskou, een 'onlangs' in het leven geroepen instituut dat kunstonderwijs geeft op basis van vakken als de geschiedenis van de godsdiensten en van Rusland en het Russische wijsgerig denken. De academie wil, schrijft Koetsenko, de grote kunst van het realisme laten herleven in een poging om 'de aanslagen op de grondslagen van de Russische cultuur' door het nu overwonnen partij-regime te pareren. Onder generaties van kunstenaars zou in de afgelopen decennia 'grote ontreddering en groot dilettantisme' veroorzaakt zijn. De nieuwe academie wil het zicht op het eeuwen oude Russische cultuurgoed opnieuw vrijmaken en het zodoende weer als inspiratiebron bruikbaar maken. Dat alles met grote aandacht voor ambachtelijke vakkennis en voor 'het realisme als onbetwistbare verworvenheid van onze Vaderlandse cultuur.' Naast deze enigszins dreigende taal schrijft Koetsenko ook dat de perestroika van directe en positieve invloed op het kunstonderwijs is geweest, zoals dat zich voltrekt in een netwerk van kunstwerkplaatsen, scholen op middelbaar niveau, ongeveer honderd academies en twintig hogere opleidingen.

Op eerdere tentoonstellingen in het westen van nieuwe beeldende kunst in de Sovjet-Unie waren nog al eens voorbeelden te vinden van verwijzingen naar het recente verleden of van andere politiek geladen commentaren. In Slagharen ontbreken dergelijke beeldende kanttekeningen. De jongste generatie heeft blijkbaar geen boodschap meer aan de tijd voor Gorbatsjov toen de kunsten zich te richten hadden naar door de partijpolitiek gestelde doelen. De jongeren overigens hoeven zich ook weinig aan te trekken van de traditionele zending van de Al-Russische Academie. De schilderijen, grafiek en de beelden getuigen van een vanzelfsprekend geworden onafhankelijkheid, althans van politiek of overheden. De collectie laat zich dan ook niet onder enkele noemers rangschikken, de werken moeten per stuk bekeken worden. Dan frapperen bijvoorbeeld de in de ruimte springende portretten van Anatoli Sjvets, de geschilderde gezichten en gestalten maken zich door knikken in het doek los van de muur en krijgen daardoor een dwingende aanwezigheid. Vooral als vier of vijf van dergelijke schilderijen met elkaar worden gecombineerd. Fraai zijn ook de geomterische verkenningen van Aleksander Mkoerali en de emotionele figuratie in de etsen van Vjatjeslav Zjelvakov.

Bij de Nederlanders blijven de objecten van Lynne Leegte in het geheugen hangen, het zijn uit bijvoorbeeld de rugleuning van een oude stoel, biljartballen, onderdelen van een ledikant, een pseudo-antiek kastje samengestelde nostalgische sculpturen. Virtuoos en geestig zijn voorts de van hout, verf en textiel gemaakte reliefs en beelden van Gert E. Sennema met vogels, een eekhoorn en vissen als aanleidingen. Ook de zichzelf voortbewegende, dan foto's makende en bovendien nog een zandspoor achterlatende machine van Fons Snelder moet genoemd worden. Het zijn slechts enkele voorbeelden uit een overvloed van enkele honderden werkstukken, waaronder voldoende kwaliteit om van een mooie tentoonstelling te spreken met als extra dimensie het zicht op de jongste generatie Sovjet-kunstenaars.

    • Bas Roodnat
    • M 9
    • Dagelijks van 10-17.30 Uur
    • Salon der Debutanten