De extra kamer

Het verwerven van een tuin is vergelijkbaar met het krijgen van kinderen: niets dat het leven zo ingrijpend verandert. Voor veel mensen is het een trouwens een uitvloeisel van het ander: zij nemen een tuin terwille van de kinderen; de ontdekking dat deze twee dingen in werkelijkheid niet zo goed samengaan komt doorgaans pas later. Voor de flatbewoner die ik tot voor kort was, is een tuin een uitbreiding van de Lebensraum, een extra kamer; maar voor de beginnende tuinier blijkt het een kamer te zijn waarin je geen gelegenheid krijgt om te gaan zitten tot er sneeuw in ligt.

Je zit met je neus vlak boven de aarde en je aandacht is gevestigd op dat stukje grond of je het uit je hoofd moest leren; kijken waar de zon tussen de gebouwen doorkomt, voor hoe lang, waar het water naar toegaat als het regent - allerlei dingen die daarvoor ook al bestonden, maar toen deden ze er niet toe. Nu zijn ze van wereldbelang; welke beginnende tuinier geeft zich niet over aan fantasieen over het veranderen van de bestaande orde: van het huis aan de overkant, bijvoorbeeld, moet een verdieping af. Vervelend voor de bewoners maar het moet nu eenmaal, het scheelt ons een paar uur zon aan het eind van de middag.

Tuinbezit maakt dat je kijkt naar andere tuinen, op precies dezelfde manier als het krijgen van een baby maakt dat je in andermans kinderwagen gluurt. En verbluffend, zoveel tuinen als er zijn: het land is er mee bedekt; volkstuintjes bijvoorbeeld, waar je vanuit de trein soms een zo onverwachte blik in kunt werpen, en waar mijn oog niet langer ongeinteresseerd overheen glijdt maar hongerig details van tracht vast te houden. Vroeger vond ik volkstuintjes alleen maar eigenaardig; nu herken ik er manifestaties in van dezelfde hartstocht die ook van mij bezit heeft genomen.

Om die hartstocht is het mij hier begonnen. Voor sommige tuinbezitters is het een onbekende emotie, maar als het er is zit het diep. En het verandert niet alleen je dagelijkse routines maar ook de manier waarop je de wereld ervaart: het is of je alles met nieuwe ogen ziet.

In de stad zijn niet veel tuinen waar je in kunt kijken; toch ontbreekt het niet aan planten die de aandacht trekken. Het zijn de naamloze bossen groen die vroeger de onduidelijk waargenomen achtergrond waren van je dagelijkse komen en gaan: nu stormen ze ineens op je af, verdringen de gebouwen er achter en nemen je aandacht in beslag. Je blijft stokstijf staan, of je valt bijna van je fiets; dan ga je er op af, - je kijkt, je herkent (als je geluk hebt), je geniet.

Wat ook is veranderd is mijn voorstelling van het gebied waar ik woon. Dat is nu een netwerk geworden van routes naar kwekerijen en tuincentra, met ertussen hier en daar een dorp. Ook boekwinkels en bibliotheken blijken een gedaantewisseling te hebben ondergaan; ik loop niet langer meteen door naar het verhalend proza, maar kom terecht tussen de hondenliefhebbers, bergbeklimmers en thuisbouwers van zeilboten. Er zijn zeer veel boeken over tuinieren, van strikt informatief tot uitgesproken zonderling, en ook in stilistisch opzicht varierend van het ene uiterste tot het andere. Het blijkt ook dat je een uitgebreide kennis van planten zou kunnen hebben zonder precies te weten hoe ze er eigenlijk uitzien.

Aan de andere kant zijn er dingen die je in geen enkel boek vindt: de schrijvers van tuinboeken zijn vergeten hoe het was om een beginner te zijn. Zo wist ik bijvoorbeeld niet dat planten in tuincentra in alfabetische volgorde worden uitgestald (hieruit is op te maken hoezeer ik op dit gebied letterlijk analfabeet was). Het tuincentrum als woordenboek: een vreemde ontdekking, alsof je in een supermarkt de kruidenierswaren alfabetisch gerangschikt zou aantreffen.

Maar wat had ik dan verwacht? Op grootte? Naar kleur? Ik had er nooit over nagedacht maar ik had me blijkbaar iets ondoorgrondelijkers of diepzinnigers voorgesteld dan Acaena, Bergenia, Campanula... Na een paar keer een tuincentrum te hebben bezocht begon ik me af te vragen waarom ik bijna nooit thuis kwam met planten uit de tweede helft van het alfabet: was ik nooit tot in de achterste kassen doorgedrongen? Of was het omdat de beste planten, net zoals het geval schijnt te zijn voor high achievers, namen hebben die beginnen met letters vooraan in het alfabet? Maar toen ontdekte ik dat er in een willekeurige catalogus van vaste planten tussen A en H evenveel namen staan als tussen I en Z; of, nauwkeuriger, tussen I en Y. De befaamde witte tuin van Vita Sackville-West in Sissinghurst bestaat uit niets dan planten met witte bloemen; hoe zou een tuin er uitzien met uitsluitend planten waarvan de naam met een gegeven letter, zeg een P, begint? En zou iemand het merken?