Cameraman Erik Durschmied; 'IK WIL GEEN ROOK, IK WIL GEEN AS, IK WIL VLAMMEN'

Een paar weken geleden zat de Canadese cameraman Erik Durschmied (1930) in een Frans televisieprogramma tegenover de Engelse cameraman Sebastian Rich (1953). Zij werden ondervraagd over hun verantwoordelijkheden als cameraman. Beiden hadden een boek geschreven over hun ervaringen in oorlog en revoluties en over de rol van de elektronische media in een steeds kleiner wordende wereld. Beiden hadden hun boek voorzien van foto's waarop zij zelf voorkwamen in de rol die het grote publiek zich bij dit soort mannen voorstelt: liggend in de goot, hangend in de lianen, kruipend door de modder. Filmen en nog eens filmen. De egotrip leek totaal en beiden hadden alles om irritant te zijn. Aan de ene kant de wat oudere cameraman, die zijn autobiografie pas schreef toen hij zich uit het beroep had teruggetrokken en aan de andere kant de wat jongere, die vond dat hij nu al over zichzelf mocht vertellen. Zelfbewust over eigen kunnen en schoonheid keek de jongere van de twee de camera in. In arrogantie waren zij aan elkaar gewaagd. Hoewel zij het, als goede concurrenten, op elkaar gemund hadden, leek er geen overwinnaar uit de strijd te komen. Totdat de dood ter sprake kwam. Rich zei dat hij een gevoel van sensatie ondervond als hij oog in oog met de dood stond. Durschmied onderbrak hem en zei dat sensatie helemaal het verkeerde woord was. Walging, zou Rich hebben bedoeld. 'Nee, 'zei de Brit, 'ik krijg er een kick van... '

De discussieleider koos daarop partij voor Durschmied. Wie de twee boeken leest komt tot eenzelfde conclusie: waar Rich een opschepper is, die van het camerawerk een verlengstuk van zijn mannelijkheid maakt, is Durschmied de koele, onverstoorbare journalist. Een cameraman die het liefst alleen werkt, niet gehinderd door verslaggevers. Durschmied leerde het vak langs de moeilijke weg. Hij begon met brandjes verslaan en huismoeders interviewen voor tv-stations in Montreal, waar hij zich als immigrant uit Oostenrijk begin jaren vijftig had gevestigd. In 1959 reisde hij zonder enige afnamegarantie naar de Siera Maestra, waar Fidel Castro de laatste aanval tegen Battista voorbereidde. Durschmied was de enige journalist ter plekke en draaide een interview dat geschiedenis maakte. Castro, die nauwelijks Engels sprak, had de antwoorden in het Engels van buiten geleerd. Via deze jonge Canadese semi-amateur zond hij de boodschap de wereld in dat hij, na zijn overwinning op dictator Battista, democratische verkiezingen wilde houden, geen ambities had Cuba te leiden en in elk geval het communisme zou afzweren. Durschmied moest van Castro zijn filmcamera in een schuur verstoppen en met de rollen door de linies van Battista zien te komen. Onderweg werd hij aangehouden door een drietal dronken soldaten dat hem zonder vorm van proces wilde doodschieten. Een officier weerhield de soldaten ervan met de kreet: 'No maten al yanqui!' waaraan de titel van zijn boek, Don't shoot the Yanqui, is ontleend. Terug in Canada kreeg hij al snel aanbiedingen van de BBC en later van CBS, waarvoor hij stercameraman zou worden. Hij ging meestal alleen op pad. De enige journalist met wie hij het langer dan een reportage uithield was de legendarische James Mossman, van het BBC-programma Panorama. 'Ik houd niet van mensen die in de weg lopen. Vragen kan ik zelf ook wel stellen. In een helicopter is meestal wel een stoel vrij, maar geen twee. Alleen werken is mijn handelsmerk geworden.'

Wij zitten in zijn tot 'loft' omgebouwde voormalige fabriek in de Parijse Marais. Tapijten uit Afghanistan, beelden uit Afrika, tafels vol boeken, lege flessen op de grond. Hemingway? Hij moet er nauwelijks om lachen. Durschmied zit midden in de montage van een door hem samengestelde documentaire over desinformatie bij televisie. Tijdens het gesprek zal hij het vaak over liegen hebben: liegende verslaggevers, die hun commentaren aanpassen aan de beelden en niet aan de waarheid; liegende 'editors', die naar eigen inzicht knippen en plakken en liegende hoofdredacteuren, die beslissen wat er wel of niet in de uitzending komt, afhankelijk van hun humeur of politieke geaardheid. Oorlogstaferelen, waarvoor een cameraploeg zijn leven heeft gewaagd, die in 1'15' moeten worden geperst? Alweer een leugen. En de cameraman, is hij dan niet ook een wandelende leugen?' Een camera liegt niet, de man die hem bedient doet dat vaak wel. Hij kiest de beelden, de invalshoek, het tempo. Daarmee beinvloedt hij, onbewust, de kijker. Het enige wat ik kan zeggen is dat cameralieden het minst liegen van iedereen die met nieuws te maken heeft. Wat op de cassette staat is niet verzonnen en is in principe ook niet meer weg te gummen. Als hoofdredacteuren bepaalde passages moedwillig weglaten, kan ik bewijzen dat het anders was.'

Met oorlog kwam u als kind al in aanraking. U werd in 1930 in Wenen geboren en raakte als jongetje in de ban van het nationaal-socialisme, staat er in uw boek. Geloofde u inderdaad zo sterk in Hitler?' Ik droomde ervan officier te worden en mijn land te redden van de Fransen en Engelsen. Op school hadden ze van mij een kleine nazi gemaakt, die bijna zijn vader bij de autoriteiten had aangegeven omdat hij vreselijke dingen over Hitler zei. Maar ik heb Wenen zien branden en ben oorlog gaan haten. Misschien ben ik daarom wel cameraman geworden: ik voelde me bedrogen door mijn omgeving en wilde helpen voorkomen dat machtswellustelingen opnieuw van de onwetendheid bij de massa's zouden profiteren. Het helpt natuurlijk niets, maar dat kon ik toen ik begon ook nog niet weten.'

Vietnam was uw oorlog. U was er als een van de eerste verslaggevers bij betrokken geraakt en was er niet meer weg te slaan. Uit uw verslagen blijkt dat u bijna van die oorlog bent gaan houden. In Saigon werden jullie intussen de 'pers clowns' genoemd.' Clowns die in naam van de informatie hun leven waagden. Wij zaten niet de hele dag in de bar verhalen van anderen over te schrijven. Ik heb helemaal niet van de oorlog op zich gehouden. Wel van de sfeer tussen militair apparaat en de media. We konden alles doen. Die oorlog was de meest intense die ik heb meegemaakt, omdat ik er zo dichtbij stond. In Vietnam kon ik met de acteurs praten. In Iran of Irak verstond ik niemand, maar daar wel. Mijn betrokkenheid was groter. Ik voelde dat ik de Amerikanen, thuis, moest laten zien hoe het werkelijk ging. Mijn reportage 'Hill 943' is gebruikt als basis voor de speelfilm 'Platoon'. Drie mannen staan onderaan een berg, die zij moeten veroveren en komen elkaar aan de andere kant weer tegen. De oorlog in een simpel verhaal.' U minacht journalisten die geen moed hebben. Tot waar kun je gaan voor je primeur? Voor de eer?' Wat is moed? Dat is doen wat je belooft, onder alle omstandigheden.

Niet eerst roepen dat je actie wilt zien en wegduiken zodra er een kogel vliegt. Moed is niet overmoed en ook niet bravoure. Moed is weten hoe je moet overleven. Voor de eer sterven heeft nog nooit iemand verder gebracht. Het eerste wat je leert in dit vak is luisteren: waar komen de granaten vandaan? In welke richting gaan de kogels? Hoe ver weg is de vijand? En verder moet je je werk doen. Je bent ingehuurd om met de beste beelden terug te komen. Beelden die de mensen aan de buis kluisteren. Een van mijn eerste bazen zei tegen me: ik wil geen rook, ik wil geen as, ik wil vlammen. Daar gaat het om. Je moet erbij zijn. Dat is televisie.' Een Nederlandse televisieploeg is in El Salvador het slachtoffer geworden van het zoeken naar die vlammen, waar u het over heeft.' Tragisch. Maar misschien ontbrak het de Nederlanders aan instinct. Zonder een zesde zintuig red je het in dit beroep niet. Ik heb tientallen vrienden verloren in de oorlog. Professionals, die geen tijd hadden om zich zorgen te maken. En pech hadden.' U schrijft dat een cameraman geen nieuws maakt, alleen registreert. Als u opgebeld wordt met de mededeling dat er over twee uur een bom in een school zal ontploffen en dat u de primeur krijgt, gaat u dan?' Nooit. Ik bel de politie. Ik weet dat wij gemanipuleerd worden, daar ontkomen we niet aan. Maar actief meedoen aan misdaden is ontoelaatbaar. Ik ben in de loop van de jaren niets zo gaan haten als terreur. En al die idioten die zich door terroristen laten gebruiken als boodschappenjongens.' Hoe beroemder je als cameraman bent, hoe gemakkelijker je manipuleerbaar bent. U beschrijft hoe u de visa's praktisch door uw strot geduwd kreeg. In Kaboel mocht u vervolgens opnamen maken van door de overheid geselecteerde onderwerpen.' Ja. En tussendoor filmde ik de gezichten van de mensen. Hun kleren, het voedsel dat er niet was. Zo mocht ik een paar jaar geleden ook in Vietnam filmen. De reportage ging over een heropvoedingskamp.

Ik heb er een commentaarloos verhaal van gemaakt. Een oude man die viool speelt en zo verdrietig kijkt dat je geen woorden meer nodig hebt. In Hanoi vonden ze dat ik een prachtproduct had gemaakt over de positieve kanten van het kamp. Maar ze begrepen niet dat het een aanklacht was. Ik vind dat een journalist nooit een reis of een interview moet weigeren als hij denkt dat hij in de marge toch nog een stukje waarheid kan meepikken.' U beschrijft hoe uw favoriete journalist, Mossman, een pistool bij zich had in Vietnam. Was u zelf ooit gewapend?' Nee. Wanneer zou ik moeten schieten als ik twaalf kilo op mijn schouders heb in de vorm van een camera? Mossman begreep al snel dat een verslaggever zich onder geen enkele omstandigheid in het strijdgewoel mag mengen. Kogelvrije vesten droegen wij de laatste jaren wel. Die hebben mij meer dan eens het leven gered.' U bent eruit gestapt en maakt nu B-films voor Hollywood of documentaires. Vond u zichzelf te oud geworden of is het beroep te zeer veranderd? Was er gewoon geen romantiek meer, geen spanning?'

TV-journalistiek is een 'rat-race' geworden. Het gaat om de kijkcijfers, om de positie op de ranglijst en om geld. De mens achter de camera kan barsten. We zien eenzelfde oorlog uit verschillende hoeken op tien verschillende netten. Iedereen is overal. Ik moet altijd denken aan de tekening in The New Yorker waarop de ene soldaat tegen de ander zegt, terwijl zij zich in een duinpan verschuilen: 'Miguel, hoe weet je dat de aanval hier zal plaatsvinden?'. Op de achtergrond staan vijftig statieven met evenzoveel opgewonden cameramensen... Dat is het helemaal! Nieuws is entertainment geworden. Dat is niets voor mij. De journalisten worden opgejaagd door tv-bazen die ook bang zijn om hun baan te verliezen. Ze moeten nummer 1 blijven.' Neemt u nou het Timisoara-drama in Roemenie, een paar maanden geleden, dat achteraf helemaal geen drama was, maar dat door de ene na de andere journalistenploeg werd overgenomen. Duizenden doden, werd er gezegd.

Het bleken er 'slechts' een negentigtal te zijn. En die waren voor een deel al voor de gevechten overleden. De hele zaak was in scene gezet. Gebeuren dit soort zaken vaker?' Ik was niet in Timisoara. Maar ik vond het wel gek dat wij steeds dezelfde tanks op hetzelfde gebouw zagen schieten. Hoe kunnen er vijftigduizend mensen in een gebouwencomplex sterven? Als ik dat hier in Parijs zie, waar zijn dan de ogen van de hoofdredacteuren? Ze hebben hun ogen in hun zak, want ze denken alleen maar aan scoren. Als de snelheid voor de kwaliteit en de feiten komt, dan komen er onherroepelijk problemen.' Vietnam was een tv-oorlog. Dit is volgens velen mede de oorzaak van de nederlaag van de Amerikaanse troepen geweest. Mevrouw Thatcher heeft hier haar les uit geleerd: tijdens de Falkland-oorlog heeft zij de pers gecensureerd en in feite een objectief verslag van de gevechten verboden. Had zij gelijk?' Als ik politicus zou zijn, zou ik zeggen: ja. Televisie is levensgevaarlijk voor oorlogsstrategen en politici. Je moet camera's weren. Maar Thatcher is toch onhandig geweest. Zij had tegen de media moeten zeggen: ik laat zoveel cameraploegen en zoveel journalisten toe. De rest moet wegblijven. Zij had de selectie aan de hoofdredacties over moeten laten. In plaats daarvan heeft zij zelf bepaald wie er mee mocht naar de Falklands en wie niet. Daarmee zet je de democratie onder te grote druk. Ik zou de media niet weren, maar hun aantal wel beperken.' Doet Israel het wat dit betreft volgens u goed? Daar moeten journalisten ook op hun tellen letten. In spanningssituaties wordt het werk van correspondenten gecontroleerd en gecensureerd.' Vroeger was het nergens zo ideaal werken als in Israel. Ik heb de Zesdaagse oorlog in Israel gefilmd en de Yom Kippoer oorlog vanuit Syrie verslagen. Ik ken het verschil.

Maar nu zijn ze in Israel overdreven achterdochtig geworden. De media zijn de afgelopen maanden mede verantwoordelijk geweest voor het verslechterde imago van het land. De intifadah-reportages zijn bijna fataal geweest voor Israel. Dus ik probeer die houding te begrijpen. Een land in oorlog neemt andere maatregelen dan Nederland of Canada.' Waarom is Amerikaanse nieuws professioneler dan het meeste nieuws in West-Europa?' Het is een kwestie van geld. Er staan veel meer belangen op het spel. Dus is er geld om het beste te kopen. Met het beste team, maak je betere programma's dan anderen. Ik heb altijd ingangen gehad omdat ik een groot Amerikaans station vertegenwoordigde. CBS in plaats van het Oostenrijkse ORF? Een wereld van verschil. Het verschil tussen binnenkomen of buiten blijven. Maar zonder talent ben je nergens. Je begint niet als ster van CBS.' Het vermoedelijke einde van de Koude Oorlog, vredesinitiatieven, ontwapening: is het werk van een oorlogscorrespondent ten einde gekomen?' Mensen zullen altijd op elkaar blijven schieten. Verslaggevers zullen altijd werk vinden. Ik hoop alleen dat zij aan een soort ethische en morele criteria zullen voldoen. Om ons te beschermen tegen de willekeur, het scoren-ondanks-alles en de leugen.'

Don't shoot the Yanquidoor Erik Durschmied330 blz., geill., Grafton 1990, f65,50 ISBN 0246136316People I have shotdoor Sebastian Rich222 blz., geill., Victor Gollancz Ltd 1990, f60,40 ISBN 0575046732