Wjonder 3629 b

Het geheugen, heeft de grote tekenaar Saul Steinberg eens gezegd, is als een reusachtige, volledig uitgeruste oceaanstomer met maar een hut. Kennelijk worden vrijwel alle belevenissen geordend en opgeslagen, maar de meeste komen nooit meer in het bewustzijn terug; soms roepen toevallige omstandigheden herinneringen op, die er dus blijkbaar wel waren, maar die anders net als de rest ongebruikt in de gewelven van het geheugen zouden zijn blijven liggen. Het is of alles keurig wordt ondergebracht in stalen archiefkasten, die vervolgens op slot gaan, waarna de sleutels in een put worden gegooid.

Een heel enkele keer wordt er op een of andere manier een sleutel weer uit die put opgevist en dan sta je voor raadsels.

Zo heeft Kees Snoek, de schrijver van De Indische jaren van Du Perron, kortgeleden in eigen beheer een heruitgave verzorgd van Het geheimzinnige avontuur van Totty de Sphinx, oorspronkelijk verschenen in het Nederlands-Indische weekblad Actueel wereldnieuws en sport in beeld, in het jaar voor de Japanse inval. Weinig stripverhalen zullen negenenveertig jaar na hun ontstaan met zoveel aandacht en emotie zijn herlezen als Totty de Sphinx, al is het misschien alleen maar door mij.

Mijn kennismaking met Totty gaat terug tot mijn elfde jaar en heeft sporen achtergelaten die ik bij verschillende gelegenheden geprobeerd heb te beschrijven, o.a. in Het rijk van Jabeer, genoemd naar de in Totty optredende beer die alle vragen met Ja beantwoordt. Die beer is het wezen waarvan ik mijn hele leven heb gedroomd en die ik maar een vraag zou hoeven te stellen. Welke vraag dat is hoef ik niet te zeggen.

De hevigheid van herinneringen, of de mate waarin zij emotie vermogen op te roepen, heeft overigens niets met volledigheid te maken. Ik herinnerde me van het verhaal niet meer dan een paar episoden, plus wat losse beelden, en vooral eigenlijk de sfeer. De rest was gehuld in duisternis, misschien die van de vergetelheid, maar het zou ook kunnen dat ik hele stukken niet kende doordat ik ze eenvoudig nooit onder ogen had gehad. De strip verscheen immers in een tijdschrift, en tijdschriften kreeg ik alleen onder ogen als ik met vakantie thuis was.

Alleen al daarom zou het zien van het volledige verhaal een belevenis moeten zijn; er waren immers vier mogelijkheden: sommige beelden of episoden zou ik herkennen, andere niet. De herkenning kan actief zijn (d.w.z. een voorspellend karakter hebben), maar ook passief, geheel in overeenstemming met de Platonische denkbeelden over kennen en herkennen. Dan zouden er beelden en episoden moeten zij die ik niet herken, of omdat ik ze nooit eerder onder ogen had gehad, of omdat ze geen enkel spoor in mijn herinnering hadden achtergelaten; dat laatste kan dan natuurlijk ook weer worden betwijfeld, er zou bijvoorbeeld verdringing in het spel kunnen zijn; maar dat laat ik nu maar rusten.

Theoretisch is er nog een vijfde categorie, tenslotte, bestaande uit spoken, d.w.z. episoden die ik me wel herinner, maar die in het boek niet voor blijken te komen.

Zulke spoken waren er niet, alles wat ik me herinnerde bestond ook echt. Wel heb ik altijd gedacht dat het verhaal in een ander Indisch tijdschrift was verschenen, namelijk D'Orient. Een onbelangrijk detail verder, maar ik zag wel steeds duidelijk het glanzende kunstdrukpapier van D'Orient erbij. Spokenpapier dus.

Wat ik mij duidelijk herinnerde, en ook wel heb beschreven, is bijvoorbeeld dat Totty duisternis kon eten; afbeeldingen van dit wonder bleken nauwkeurig overeen te stemmen met mijn herinnering ervan. Omtrent Jabeer herinnerde ik mij beeld en tekst (woordelijk) van het moment waarop iemand zegt: 'Mag ik van de taart eten?' (wat kennelijk niet mocht). 'Ja', zei Jabeer. 'Ben jij gek, Jabeer?' 'Ja, 'zei hij weer. Wie het was die dat vroeg zou ik niet meer met zekerheid hebben kunnen zeggen, dat was meer herkenning achteraf.

Dat geldt geloof ik ook voor de episode waarin iemand (een 'wonderzoeker') een luikje openmaakt 'waardoor een baard tevoorschijn kwam. De wonderzoeker trok driemaal aan die baard. Toen ging er een groter luikje open. Daarvoor verschenen twee baarden. De man trok aan elke baard anderhalve maal.'Hoeveel precies zich hiervan in mijn bewustzijn bevond voor ik het herlas durf ik nu niet meer te zeggen, maar een ding is zeker: zelden heb ik de bekende time travel naar het verleden zo hevig ondergaan als bij het terugvinden van die baarden. Een belevenis waarbij voor het goede doel ook nog allerlei andere sleuteltjes uit de put werden gehaald en gratis mee naar binnen gegooid: heel duidelijk de geluiden van een middag, waargenomen vanaf mijn bed (geloof ik), tijdens de siesta; om mij heen in het halfdonker de klamboekamer, dan de kamer zelf met gesloten luiken en onzichtbaar daarachter de gaanderij die uitkeek op het ravijn. Ik zag het patroon van de bakstenen in de ventilatiegaten boven in de muur en tegelijk daarmee kwam een verpletterende werkelijkheidservaring: ik ben weer elf en ik ben in Indie, een heel kort moment van krankzinnige euforie: zie je wel, ik ben nooit weggeweest. Het geheimzinnige avontuur van Totty de Sphinx liep van 3 Mei 1941 tot en met 28 Februari 1942. Helaas heeft Snoek de afleveringen niet individueel gedateerd; ik heb nog geprobeerd na te rekenen of de episoden die ik mij het duidelijkst herinner in de schoolvakanties vallen, een vermoedelijk zinloze operatie omdat de tijdschriften in de zg. 'trommel' vaak weken oud waren. Het is ook mogelijk dat ik ergens hele jaargangen door heb kunnen kijken, maar dat verklaart dan weer niet dat de eerste afleveringen mij totaal onbekend voorkomen. Pas vanaf de zesde week doen zich incidentele momenten van herkenning voor. Het meest vertrouwd is mij het middenstuk, en de laatste afleveringen heb ik ongetwijfeld nooit eerder gezien.

Er is een duidelijk verband tussen wat ik mij herinner en wat ik (nu nog) mooi vind. De hele strip is trouwens opmerkelijk, zeker wanneer wanneer je bedenkt wat in die tijd in Nederlands-Indie de norm was; alles bij elkaar geen gering compliment voor de maker (tekenaar en schrijver) van het stripverhaal.

Eskimo

Al die jaren heb ik niet geweten wie dat was. Het was Leo Vroman, die aan de bezetting van Nederland had weten te ontsnappen en op 7 Augustus 1940 in Nederlands-Indie was aangekomen. Hij was toen 26. Veel in het verhaal frappeert me ook nu nog door zijn oorspronkelijkheid, zoals de ontmoeting, in de woestijn, met de luchtspiegeling van een eskimo. 'Ben je een mens?' vraagt Totty. 'Mijn baas de Eskimo is een mens maar die woont heel ver weg... Ik doe gewoon precies wat hij doet, alleen heel ergens anders op de wereld.' 'Waarom dan?' 'Omdat hij daardoor niets kan doen of iemand anders in een heel ver land ziet het... ''Zeg nu eens of iedereen zo'n spiegeling heeft?' 'Iedereen, maar niet iedereen weet het'. De originaliteit van de taal: 'Ejven in 't wjonderbjoek regjistreerjen, zei de man. Hij schreef: n.n... .wjonder 3629 b, lichtljeeuwtje... 'Beschrijvingen als: 'de lucht gaf bijna vlekken, zo vies rook hij... ''De vreemdeling probeerde verder te graven. Maar hij kon niet, want hij giechelde van opgewondenheid. 'Dan maar vergaderen', zei hij... 'Het Lewis Carroll-achtige: 'Vliegen is niet moeilijk, zei de Ibis en deed allerlei kunstjes voor. 'Ik geloof dat ik het maar half zo goed zal leren, want jij hebt evenveel vleugels als poten en ik maar de helft.' 'Onzin', antwoordde de Ibis, 'Een vlieg heeft driemaal zoveel poten als vleugels en kan toch beter vliegen dan lopen'... 'Een andere schok der herkenning gaf Jokkop, de adelaar met twee koppen waarvan er een altijd de waarheid spreekt en de ander altijd liegt. Raymond Smullyan moest geloof ik nog geboren worden, maar Totty bedenkt een test om vast te stellen welke kop liegt. Zo is er nog veel meer.

Aan de andere kant bevat ook dit vroege werk al voorbeelden van wat mij soms in het poetische oeuvre van Vroman tegenstaat iets gewilds, iets zoetelijks, iets van kijk mij weer eens adorabel en spontaan zijn. Het inzicht dat ook Totty een incarnatie is van Tineke, zoals Vroman in het Leidse universiteitsblad Mare schijnt te hebben onthuld, devalueert voor mij het verhaal een beetje; het is een thema dat op den duur mateloos gaat irriteren en onherroepelijk tegen Tineke inneemt; je hoeft geen psycho-analyticus te zijn om te voelen dat achter die steeds weer geafficheerde liefde voor Tineke een of andere begraven moordlust moet schuilgaan.

Maar dat valt gelukkig allemaal in het niet tegen de vele onvergetelijke vondsten, zoals het dierbare beest Jabeer, dat altijd het verlangde antwoord geeft op de enige vraag die de moeite van het stellen waard is: hou je van me, Jabeer? Het geheimzinnige avontuur van Totty de Sphinx door Leo Vroman. Sedap malam ('nachtvlinder'), Jakarta 1990.

intelligente menschen zonder vroomheid

en vrome menschen zonder intellect.