Verdichting der historie

'In het getal bezwijkt het verhaal en wordt geen beeld geboren.'

Dat was Huizinga's klacht in 1941 'over vormverandering der geschiedenis' (zoals de titel luidde van zijn referaat voor de Nederlandsche Akademie van Wetenschappen): het is de geschiedenis 'meer en meer te doen om de analyse van collectieve grootheden, en het getal wordt heer en meester van het begrip', en daarin wordt geen beeld geboren.

Gaat Huizinga's diagnose nog op? zo vroeg ik hier op 8 juni. En ik antwoordde: 'Zeker kan na 1989 niet meer gezegd worden dat geen beeld meer geboren wordt. Integendeel: we hebben de recente geschiedenis juist in beelden meegemaakt. Sterker nog: het beeld heeft op zich zelf geschiedenis gemaakt, want de mensen in Leipzig zagen wat er in Boedapest gebeurde, en de mensen in Praag zagen wat er in Berlijn en Leipzig gebeurde, en werden erdoor tot actie geinspireerd.' Toen ik dat een maand geleden schreef, had ik van Huizinga's woorden slechts indirect kennis genomen, namelijk via een artikel in een Duitse krant, waarin die woorden geciteerd waren in het Duits. De oorspronkelijke tekst kreeg ik, zoals ik hier op 29 juni schreef, pas later onder ogen. Die geeft mij aanleiding mijn reactie op wat Huizinga 49 jaar geleden schreef enigszins recht te zetten.

In de eerste plaats: wat verstaat Huizinga onder beeld? Hij verstaat eronder de 'waarneembare voorstelling van een samenhangend geheel'.

Zo kan men 'een beeld in de volle zin des woords hebben van de Perzische oorlogen, van de Franse Revolutie of van Napoleon'.

Maar om verscheidene redenen (die ik in mijn artikel van 29 juni noemde) meent hij dat de geschiedenis haar beeldkarakter verliest en daardoor onschilderbaar, ononthoudbaar en onleesbaar wordt. En: 'onleesbare geschiedenis is geen geschiedenis.'

'Geschiedenis moet boeiend zijn', en dat is zij niet als zij geen beelden meer produceert.

Is dit nog vol te houden na 1989? Zeker, Huizinga kon de televisie en haar invloed niet voorzien, maar hij leefde wel al in het tijdperk van fotografie en film. Hij zegt het zelf trouwens: 'Onze tijd, overvoerd als hij is met reproducties van afbeeldingen van al wat zichtbaar is... 'Maar hij ontzegt de 'fotografische reproductietechniek' het vermogen een beeld, in de zin van 'waarneembare voorstelling van een samenhangend geheel' (mijn cursivering) te scheppen. Voor de 'gestyleerde verbeelding der historie' geeft zij ons 'iets veel slechters en even onwaars' in de plaats, 'namelijk de volmaakt onnozele fotografische afbeelding van uitknipseltjes zichtbaarheid, die met historie niets te maken hebben.' Het is Huizinga dus te doen om de 'gestyleerde verbeelding der historie' (die hij overigens 'even onwaar' noemt als de fotografie), om het 'episch-dramatische element' in de geschiedenis. 'Of ge nu de voorstelling (...) hebt geput uit Michelet of uit Carlyle, uit Taine, uit Aulard of uit Madelin, ge ziet het verloop der Franse Revolutie voor u als een reeks van uiterst levendige taferelen.' En het doet er niet toe of die taferelen juist zijn: 'Ook al hebt ge leren twijfelen aan de juistheid van tal van traditionele details, al weet ge dat Davids schilderij van de Eed in de kaatsbaan uiterst onjuist is, dat Mirabeaus woord tot de groot-ceremoniemeester geenszins vaststaat (...) of dat honderd andere schilderachtige momenten voor de historische kritiek geen stand houden, het zal in u de beeldvorming van het grote complex in zijn geheel nauwelijks aantasten.' Dit is wat Huizinga de 'verdichting' der historie noemt. En hoewel hij zegt dat hij met verdichten condenseren bedoelt, vraag je je af of dat condenseren van de historie hier niet heel dicht de andere betekenis van verdichten verzinnen, fantaseren nadert. Maar boeiend is het wel, en dat moet de geschiedenis volgens Huizinga zijn, wil zij nog geschiedenis heten.

We zullen deze opvatting van wat de geschiedenis eigenlijk moet zijn verder laten rusten en alleen de vraag stellen of de fotografie en de film (Huizinga's tijdgenoten) inderdaad zoveel minder in staat zijn de essentie van een gebeurtenis weer te geven, inderdaad alleen maar 'uitknipseltjes zichtbaarheid' te zien geven.

Huizinga moet de foto's van de Krimoorlog en van de Amerikaanse burgeroorlog gekend hebben om niet te spreken van die van de Eerste Wereldoorlog en van de Spaanse burgeroorlog. Misschien vatten zij niet het politieke moment achter deze gebeurtenissen, maar van het verschijnsel oorlog geven zij een even waar (in de zin van 'symbolisch') beeld als de tekeningen van Callot en Goya gedaan hebben van de Dertigjarige, respectievelijk een eerdere Spaanse burgeroorlog.

Maar had Huizinga misschien een esthetische weerzin van zulke beelden (Manets schilderij van keizer Maximiliaans terechtstelling lijkt hij al op het randje te vinden)? En ging hij ooit naar de bioscoop? Zo neen, dan heeft hij de beeldende reportages van de Neurenbergse partijdagen of van Hitlers hysterische redevoeringen gemist. Dat waren ook condensaties van een bepaalde tijdgeest. Ook dat moet hem van weerzin vervuld hebben, evenals toen hij met zijn zoon Leonard, die dit beschrijft in zijn Herinneringen aan mijn vader, uit zijn hooggelegen huis in De Steeg een nachtelijk bombardement op het Roergebied gadesloeg, dat de hemel rood kleurde, en hij alleen maar kon uitbrengen: 'Walgelijk..'

Of de televisie, met haar dagelijkse beelden van de hedendaagse geschiedenis, hem tot andere reacties zouden hebben gebracht? Achteraf gezien heeft lezing van Huizinga's oorspronkelijke tekst mij niet zozeer aanleiding gegeven tot rechtzetting van mijn reactie op stukken uit een Duitse weergave ervan, die ik eerder onder ogen kreeg, als wel, naar ik hoop, tot het recht doen aan zijn opvattingen.

Overigens is dit niet de eerste keer dat Huizinga's opvatting over vormverandering der geschiedenis onderwerp van discussie is. Illusterer geesten hebben zich ermee beziggehouden: Romein in een artikel over 'Huizinga als historicus' (1947) en Presser in een openbare les over 'Beeldbaarheid en beeldvorming in de jongste Amerikaanse historie' (1947). Dit deelt mij dr. J. Tollebeek te Leuven mee, auteur van het onlangs verschenen De toga van Fruin: denken over geschiedenis in Nederland sinds 1860, waarin hij ook Huizinga's stelling bespreekt. Ik hoop er ooit eens toe te komen dit alles ook te lezen.