Tirana onder druk

ENVER HOXHA is veertig jaar lang, tot zijn dood in 1985, de vader des vaderlands van Albanie geweest: een zeer strenge dorpsburgemeester die zijn volk weliswaar met zeer harde hand zijn eigen puriteinse vorm van stalinistisch communisme opdrong, maar die er ook en dat gaf hem een zekere legitimiteit in de ogen van zijn volk prat op ging (en prat op kon gaan) de eerste leider van een werkelijk soevereine Albanese staat in de laatste vijfhonderd jaar te zijn. Dat Albanie zo soeverein was dat het door te breken met machtige beschermheren en zich te isoleren achter de ruige bergkammen van de Balkan economisch hopeloos achterop raakte was tijdens zijn heerschappij geen argument. De Albanezen eten liever gras dan het hoofd te buigen, heeft Hoxha gezegd, een uitspraak die de Albanezen altijd zeer heeft aangesproken.

Zijn kroonprins en opvolger Ramiz Alia heeft het moeilijker. De economische situatie is weliswaar niet zo slecht dat de Albanezen een dieet van gras wacht, maar rooskleurig is ze allesbehalve. Bovendien is zelfs het geisoleerde Albanie niet immuun voor de veranderingen die zich in Oost-Europa hebben voltrokken. De Albanese media hebben die veranderingen niet verzwegen; ze hebben wel, vooral de laatste maanden, opvallend veel aandacht besteed aan de 'desillusie' waartoe de fluwelen revoluties in Oost-Europa zouden hebben geleid.

DAT HEEFT WEINIG indruk gemaakt. Alia is de afgelopen zes maanden met een aantal concessies over de brug gekomen, met nieuwe vrijheden, meer mogelijkheden voor eigen initiatief en zelfs een voor Albanese begrippen forse dosis openheid over de bestaande problemen. Maar concessies, zo is vorig jaar in landen als Tsjechoslowakije, de DDR en Bulgarije gebleken, hebben zo hun eigen dimensie: ze wekken verder een honger naar meer en ze zijn nooit genoeg. Alia speelt op tijdwinst, maar na de onrust van februari en deze maand begint het erop te lijken dat het regime van Albanie, dat stoere ijzeren heintje aan de Adriatische Zee, zijn langste tijd heeft gehad.