Slaaptekort en geen tijd om te winkelen

BERLIJN, 6 juli Het Oostduitse parlementslid Ursula Vollbrecht (57) heeft sinds de invoering van de D-mark in haar land nog geen DDR-winkel van binnen gezien. 'De leden van de Volkskammer hebben het veel te druk', vertelt ze. 'Toen ik maandag van mijn dorp naar de Volkskammer reed kreeg ik de indruk dat het Eerste Kerstdag was: nergens rijen.'

Als ze thuis, in een dorp bij Potsdam, heeft geslapen doet ze in alle vroegte een briefje in de bus bij de levensmiddelenwinkel van het dorp, de Konsum, met het verzoek de bestelling aan een van haar buren mee te geven. Maar soms slaapt ze ook in een hotel in Berlijn dat vroeger leden van de geheime politie herbergde. 'Niet lang', zegt ze. 'Volksvertegenwoordiger zijn betekent in de DDR slaaptekort.' Voor een parlement dat bezig is zijn staat, en daarmee zichzelf, in ijltempo op te heffen kan de leden van de eerste democratisch gekozen Volkskammer enthousiasme niet ontzegd worden. De leden wonen deze middag bijna voltallig de plenaire zitting bij en hebben er duidelijk plezier in. Vindt de afgevaardigde Vollbrecht (SPD) het niet jammer dat deze tiende zittingsperiode van de Volkskammer ook de laatste zal zijn, omdat dit parlement zal besluiten tot toetreding van de DDR tot de Bondsrepubliek? 'Wat ons bij de SPD betreft had het wel wat langer mogen duren', meent Vollbrecht. 'De overgang had geordender, rustiger mogen zijn, wat mij betreft. Ik ben optimistisch over de toekomst. Als ik met mijn Trabant door West-Berlijn rijd, dan zing ik. Maar alles gaat zo snel. Vooral die geweldige werkloosheid die over de mensen komt. En we hebben nog niet eens arbeidsbureaus. Daar hebben we wel toe besloten, maar er is nog geen tijd geweest om dat uit te werken.'

Ook deze zitting brengt de afgevaardigde Vollbrecht door met een indrukwekkende stapel papieren voor zich. Het is menselijkerwijs gesproken onmogelijk alles te bestuderen, meent ze, alleen al de studie van de materialen van de commissie Sociale Zaken, waarvan zij lid is, vergt al haar krachten. Voor contact met de kiezers heeft ze nauwelijks tijd over, evenmin als haar fractiegenoten. 'En in het weekeinde kom ik ook niet tot rust, want in mijn dorp woont 65 tot 70 procent van de mensen op grond die vroeger aan Westduitsers en Westberlijners heeft toebehoord, en iedereen is bang dat hij straks uit zijn huis zal worden verjaagd. Weer zoiets dat nog niet duidelijk geregeld is en de mensen grote zorgen baart.'

Beroepspolitica is Vollbrecht niet, vertelt ze trots. Zeven jaar geleden weigerde ze als lerares het SPD-lidmaatschap, werd daarvoor gepest en ontslagen, maar slaagde er tenslotte in een pensioenuitkering te verwerven. Bij de opheffing van de Volkskammer straks is ze vastbesloten de politiek vaarwel te zeggen. 'Kan ik me eens aan mijn kleinkinderen wijden.' De Volkskammer, gevestigd in een prestigieus gebouw van roestbruin glas in het centrum van Oost-Berlijn, vertoont uiterlijk nog veel trekken van een Oosteuropees parlement oude stijl, een schijndemocratische applausmachine voor de partijleiding. Onder die kenmerken zijn het oude vrouwtje op een stoel die in de lift voortdurend op en neer reist met de bezoekers, de vele verveeld uitziende, onduidelijke mannen die op de perstribune zitten zonder aantekeningen te maken, het rijk voorziene buffet waar de boterhammetjes kaas kunstig met toefjes boter zijn versierd en Sovjet-champagne te koop is, de ingewikkelde toelatingsprocedures en wachters bij iedere deur, die wel weer een beperking op het toegangsrecht weten. De nieuwe tijd blijkt, buiten de vergaderzaal, vooral uit het feit dat de Sovjet-champagne tegen D-marken wordt verkocht (en veel te duur is) en dat de boterhammetjes, vroeger 'belegte Brote' genoemd, nu plotseling 'sandwiches' heten , zoals een SDP'er opmerkt. De parlementaire debatten daarentegen zijn een aaneenschakeling van politieke noviteiten. Afgevaardigde Vollbrecht en haar collegas horen vandaag achtereenvolgens een rapport over de aanwezigheid van Sovjet-troepen van de DDR-minister van defensie, de eerste coherente verklaring over de buitenlandse politiek van de DDR door premier Lothar de Maiziere, het vragenuurtje met diverse ministers, en stemmen over voorstellen om grote schoonmaak onder de rechters en openbare aanklagers van de DDR te houden. Bij de stemmingen over de rechtspraak valt Vollbrecht op dat minister van justitie Kurt Wunsche, eerder die ochtend wel in de ministersbanken, in geen velden of wegen is te bekennen. 'Hij is bang', weet ze. Wunsche is in opspraak geraakt wegens zijn optreden tussen 1965-72, toen hij ook al minister van justitie was. Zijn eigen partij, de liberale BFD, heeft zich van hem afgekeerd, vooral nadat gebleken was dat hij zich wilde verzetten tegen een zuivering van het gerechtelijk apparaat van de DDR. Het gerucht gaat dat hij wil aftreden, 'en kennelijk wil hij vermijden dat hem daarover vragen worden gesteld', neemt Vollbrecht aan.

Niemand van de volksafgevaardigden komt overigens op het idee de aanwezigheid van de minister bij de stemming te eisen. Wel gaat er bijna een rilling door de zaal als Egon Bahr, de sociaal-democratische eminentie uit Bonn die net is benoemd tot adviseur bij de hervorming van het Oostduitse leger, op de publieke tribune plaatsneemt. Hij is overigens de enige op de vele tientallen plaatsen daar die voor Westduitse hoge bezoekers zijn gereserveerd. Op de overige zitplaatsen nemen vooral scholieren plaats, klassikaal op democratieles.

De kwaadaardige kritiek in de bevolking, dat er in de Volkskammer wordt geslapen, schaak gespeeld en wodka gedronken tijdens de vergaderingen, ziet Vollbrecht als kwaadaardige leugens. Het presentiegeld van zesduizend mark per maand (meer dan drie keer het gemiddeld inkomen in de DDR) noemt ze 'niet overdreven, als je ziet hoe duur het leven van een afgevaardigde is'.

Ze heeft geen tijd om zelf te koken en het eten in de Oostberlijnse restaurants, en zelfs de kantine van de Volkskammer kost haar zeker 50 mark per dag.

Het eind van de agenda is, rond half vier, nog steeds niet in zicht maar opgewekt klapt, moppert, lacht en stemt afgevaardigde Vollbrecht mee met haar collega's. Zal ze het toch niet een beetje missen straks, na de laatste zitting van het DDR-parlement? 'Nee, ik zie mezelf als een 'Trummerfrau', zegt ze met een verwijzing naar de legendarische puinruimsters die na de oorlog van Berlijn weer een minimaal begaanbare stad maakten. 'Je leeft maar een keer. Ik wil ook nog van de vrijheid genieten.'