Schuilplaats

Vroeger, in mijn romantische dagen, heb ik het museum regelmatig als een stille schuilplaats beschreven. Er heerste toen de neiging om kunstwerken tot op het bot te willen verklaren. Op sommige tentoonstellingen werden de schilderijen bijkans dichtgetimmerd met tekstborden. Dat was goed bedoeld maar ik vond toch dat het kunstwerk niet teveel van zijn unieke geheimzinnigheid ontnomen mocht worden. In het museum zochten (en zoeken) we naar manieren van presentatie die het werk artistiek inzichtelijk maken.

De lust tot nietsontziende educatie is inmiddels afgenomen. Ook de educatieve diensten accepteren nu het museum als een plek van stille beschouwing en hebben vaak zeer intelligente methodes gevonden om de bezoekers toch richting te geven bij kijken.

Voor mij ligt nu een kleurenbijlage van een Italiaanse krant waarin een reportage staat over nieuwe musea in het Amerikaanse Westen. Daarin is een foto die mij zeer bezighoudt: een interieur van de Menil Collection in Houston, Texas. Het verfijnde, elegante gebouw is ontworpen door Renzo Piano. De foto toont een ruimte met doorkijkjes naar twee andere zalen. De vloeren zijn van glanzend, olijfgrijs hout. De muren zijn wit. Er is koel daglicht. Het is in alle opzichten een prachtig museum maar tegelijkertijd hebben de zalen iets desolaats dat misschien juist door de foto onthuld wordt.

Er zijn maar een paar kunstwerken te zien: een gipsfiguur van Segal, verderop een schilderij van Wesselman, in de verte links een groot interieurstuk van Braque en in de verte rechts een blauwe Yves Klein. De smetteloosheid van de presentatie is enorm. Maar de afstand tussen de werken is te groot geworden. Ze kunnen elkaar niet meer bereiken en beroeren. Elk werk geeft een indruk van grote eenzaamheid en eindeloze stilte. De schilderijen lijken op vlinders opgeprikt in een prijkkast. Ze hangen in een roerloos en deerniswekkend vacuum.

Die schuilplaats bedoel ik dus niet. Maar tegelijkertijd besef ik dat kunstwerken nu meer dan ooit beschermd moeten worden nu tegen echt geweld. De laatste tijd worden ze geroofd en aangevallen, bespoten en opengesneden. Zelfs in hun schuilplaats zijn ze weerloos geworden terwijl ze ook door honderdduizenden worden bekeken, een voorbijschuifelende massa toeristen die naar ze kijkt als naar zeldzame dieren in de dierentuin. Aan de tralies raken we gewend. Maar de dieren zijn gekooid. Ook de bewegingsvrijheid van kunstwerken wordt ernstig beperkt door veel en veelsoortig geweld eromheen.