Na de zondeval; Boek over het geloof in de moderne kunst

Het is vreemd gesteld met het boek Kunst historisch van de kunsthistoricus Hessel Miedema. In zijn inleiding schrijft hij dat hij 'het fenomeen kunst op een historische manier wil beschrijven' met als doel 'een inzicht te bieden in de complexe problematiek van de kunstwaardering.'

Het boek begint met een didactisch betoog over de betekenis van een schilderij van de zondeval, daterend uit het derde kwart van de vijftiende eeuw, en over de geschiedenis van de toeschrijving van dit paneeltje aan de Vlaamse schilder Hugo van der Goes. Hierop volgt een uiteenzetting over het ontstaan van het vak kunstgeschiedenis.

Dit begin wekt de indruk dat we hier hebben te maken met een introductie voor beginnende studenten kunstgeschiedenis. Dit stemt optimistisch, want een dergelijk leerboek over de kunstgeschiedenis (dus niet: over de kunst) bestaat niet en zou zeer welkom zijn, vooral als het helder is geschreven. Maar jammer genoeg blijken deze verwachtingen misplaatst te zijn. Na de inleidende hoofdstukken wordt duidelijk dat Miedema een ander doel voor ogen heeft. Hij wil stelling nemen in een debat over de status van het kunstwerk, waarbij hij zich, evenals de hoogleraar van zijn instituut, Evert van Uitert, in zijn inaugurele rede in 1986 deed, keert tegen het ongebreidelde geloof in de moderne kunst en de bijna religieuze eerbied voor het kunstwerk. Miedema meent tegen dit geloof tegenwicht te kunnen bieden door aan te tonen dat de functie van het kunstwerk en daarmee de kunst zelf in de loop van de geschiedenis sterk zijn veranderd. Hij deinst ook niet terug voor de netelige vraag wat kunst eigenlijk is.

Hiermee heeft hij zichzelf grote moeilijkheden bezorgd. Hoe verder het boek vordert, hoe ingewikkelder het allemaal wordt. De verhandelingen over bijvoorbeeld het ontstaan van de verschillende genres in de schilderkunst en over de emblematiek zouden nuttig zijn in een didactisch boek over de kunstgeschiedenis, maar voor het onderwerp van dit boek zijn ze veel te gedetailleerd behandeld, terwijl andere belangrijke aspecten helemaal niet ter sprake komen. De draad in het betoog raakt volkomen zoek en in plaats van 'inzicht te bieden in problematiek van de kunstwaardering' wordt de verwarring alleen maar groter. Zo verwijt hij kunsthistorici dat ze zich zelden afvragen waartoe kunstwerken hebben gediend, wat hun oorspronkelijke functie was en hoe die functie in de loop van de tijd verandert om vervolgens te concluderen dat zoiets wel heel moeilijk te achterhalen is, omdat inhoud en functie in de tijd van ontstaan zo vanzelfsprekend waren dat er niets over werd geschreven. En tenslotte schrijft hij zelf: 'U ziet dat ik een groot aantal verschijnselen overhoop haal die op een of andere manier verband met elkaar houden. Hoe die verbanden precies liggen is nog lang niet duidelijk.'

Waarom dan de hele boel overhoop gehaald?

Religie

Het opmerkelijkste is wel dat iemand die een boek schrijft over 'het geloof in de moderne kunst' nauwelijks meer dan vijftien regels wijdt aan de veranderende opvattingen over kunst in de negentiende en twintigste eeuw want daar is dat geloof vooral op terug te voeren. Aan het begin van de negentiende eeuw ontstond het beeld van de kunstenaar als iemand die door middel van zijn creatieve verbeelding de werkelijke betekenis van de dingen zichtbaar kon maken. Hij was, in de woorden van de dichter Shelley, 'de onerkende wetgever van de wereld', een goddelijke schepper die uit het niets een nieuwe kosmos voortbrengt. Hier krijgt het kunstwerk (en de kunstenaar) een religieuze dimensie.

Miedema omschrijft tenslotte de veranderende functie van het kunstwerk als een ontwikkeling van 'inhoudsdragend' tot 'stilistisch-kunsthistorisch' object. Dat wil zeggen: De Zondeval van Hugo van der Goes 'was toen kunst omdat er een voorstelling op stond; nu is het kunst omdat het in een museum hangt en door ons wordt herkend als behorend tot het domein van de Kunst. 'Dit lijkt mij wel een heel magere beantwoording van de vraag wat kunst is.

Ter ondersteuning van zijn these beroept hij zich op Rudi Fuchs die ooit in een lezing Het Zwarte Vierkant van Malevitsj het indrukwekkendste schilderij noemde dat hij kende, zonder verder iets te zeggen over de reden hiervoor en over de inhoud van het schilderij. Het is dus, concludeert Miedema, gewoonweg een 'stilistisch-kunsthistorisch object'. Maar het feit dat Fuchs niets wil zeggen over de eventuele inhoud van Het Zwarte vierkant betekent natuurlijk niet dat er ook niets over mee te delen valt (het tegendeel is waar). Zou het eenvoudigweg niet zo kunnen zijn en dat blijkt ook uit het feit dat De Zondeval ondanks de veranderende opvattingen altijd als kunst herkend is dat iets kunst is wanneer het en inhoud heeft en 'stilistisch-kunsthistorisch' interessant is, ongeacht of het nu in een museum hangt of niet?

    • Kunst Historisch. Uitg. Gary Schwartz
    • Janneke Wesselinghessel Miedema