Energie

'Ik heb nooit vakantie. Maandagochtend, tegen twaalven, hef ik mijn hoofd op om een uurtje adem te halen. Dan gaat het luik weer dicht. Ik ben terug in mijn cel en daar blijf ik de volgende zeven dagen.' Wie heeft dat gezegd? Geen Nederlandse boekbespreker.

Zeer juist. Het is een uitspraak van Charles Augustin Sainte-Beuve (1804 - 1869) die beroemd is geworden door zijn Lundis, zijn literaire kronieken die zo genoemd zijn omdat ze op maandag verschenen in de Constitutionnel. Hij was toen 45. Na drie jaar verhuisde hij met zijn kroniek naar de Moniteur. In die twee kranten heeft hij planken bij elkaar geschreven waaruit al blijkt dat hij er zich niet met een Jantje van Leiden van af maakte. Te oordelen naar de kleine verzameling in de Bibliotheque de la Pleiade is het gemiddelde van een kroniek acht boekenpagina's, ongeveer 2500 woorden of een pagina in de krant. Veel ervan is vergaan, met degenen die de eer van zijn behandeling te beurt is gevallen dat veronderstel ik, want ik heb er niet veel van gelezen maar een Lundi over Tocqueville's De la democratie en Amerique, dat ik toevallig ken, is van meer dan een eeuw afstand leesbaar als was het gisteren geschreven en vooral herkenbaar.

Maar het gaat me nu niet om de mate waarin Sainte-Beuve vers is gebleven. Ik wil het hebben over zijn energie. Zijn Lundis zijn lang niet het enige dat hij heeft geschreven. Hij is ook de auteur van een formidabele reeks literaire portretten, drie delen poezie, een roman en nog het een en ander. Onbegrijpelijk dat hij nog tijd vond om verliefd te worden op Adele, de vrouw van zijn vriend Victor Hugo, en deze tijdverslindende passie tot een slecht einde te brengen. Ten onrechte werd hij door de geheime politie beschuldigd van een financiele manipulatie, waardoor hij zo beledigd was dat hij naar Luik vertrok om daar colleges te geven, en ook dat heeft het schrijven belemmerd.

Energie. Waar is die prachtige eigenschap bij onze eigentijdse boekbesprekers gebleven? Conrad Busken Huet heeft er wel niet zoveel op zijn naam als Sainte-Beuve, maar zijn Litterarische fantasien en kritieken omvatten nog wel 25 deeltjes en net als zijn voorbeeld heeft hij een roman geschreven, Lidewyde. Sainte-Beuve is 65 geworden, Huet 60. Er was in hun tijd nog niets bekend over energie schenkende vitaminen; het drinkwater was niet zo zuiver als het nu is en 'savonds moesten ze werken bij een oliepitje. De risico's voor de gezondheid in het algemeen en vooral het gezichtsvermogen waren heel wat groter dan nu, en toch: een heel oeuvre, louter aan besprekingen!In de Haagse Post van deze week werpt Jaap Goedegebuure een zijlicht op het probleem. Hij vraagt zich af of 'de literatuurcriticus moet fungeren als consumentenman of opinion leader.'

Het is wel duidelijk dat hij niets ziet in de bespreker als consumentenman: 'Wie voldoet als standwerker of als interviewer, is daarmee nog geen boekbespreker.'

Daar ben ik het mee eens. Maar waarmee bereikt men deze kwaliteit wel? Daar kwam ik door het lezen van dit stukje niet achter. Het heeft wel een polemische toon maar het is niet duidelijk waarop de schrijver mikt.

Eigenlijk, denk ik, is het vak van boekbespreker heel eenvoudig. Men leest een boek en gebruikt ter beoordeling daarvan een aantal maatstaven. 1. Is het goed geschreven? 2. Is het boeiend, nodigt het dwingend uit tot het omslaan der bladzijden, vraagt de intrige om ontrafeling? 3. Zijn de personages gaan 'leven'? 4. Heeft de schrijver een idee van min of meer filosofische aard waarvan hij de lezer deelgenoot wil maken? 5. In hoeverre is hij erin geslaagd, zijn bedoelingen begrijpelijk te maken. 6. Welke verhouding is er tijdens het lezen en bespreken tussen de auteur en de bespreker ontstaan? Heeft de bespreker die vragen enigszins redelijk beantwoord dan is er, denk ik als leek, al een passabele kritiek onstaan. Doet hij dat iedere week dan heeft hij binnen een kinderleeftijd zelf een oeuvre bij elkaar.

Hoe komt het dan dat er geen Nederlandse besprekers zijn die dit het laatste decennium is gelukt? Omdat ze teveel vakantie hebben en nog niet eens erin slagen een week per jaar het luikje van hun cel gesloten te houden, zoals Sainte-Beuve dat het hele jaar min 52 uur deed, en wie weet, foeballe ook heel eigentijds vinden.