De montere nieuwgierigheid van Barbarber; Voldoende zout voortweehonderd eieren

Het Barbarberalfabet is voor de helft een bloemlezing uit de eerste 87 nummers van het tijdschrift Barbarber. Voor de andere helft is het een bloemlezing uit alles wat in dat tijdschrift opgenomen had kunnen worden als het in 1971 niet opgehouden was te verschijnen. Te zamen vormen deze beide helften: een erg aanstekelijk boek. Of: de encyclopedie van een mentaliteit. Want dat is het mooie van dit op het eerste gezicht tamelijk willekeurige alfabet: de ongeveer 450 lemma's bevatten zoveel samenhang dat de lezer gedwongen wordt ook samenhang te zien in wat zich eraan lijkt te onttrekken. Je leest en denkt: 'typisch Barbarber', en als je dat niet denkt, moet je wel denken: 'waarom zie ik niet dat dit typisch Barbarber is?' Neem nu het gedicht 'Musee des Beaux Arts' van W. H. Auden dat hier zonder commentaar in de vertaling van J. Bernlef is opgenomen onder het lemma 'Breughel'. Auden schreef het in december 1938 na een bezoek aan het Brusselse Museum voor Schone Kunsten waar hij schilderijen van Breughel had gezien. Die hadden hem op de gedachte gebracht die al in de eerste regels wordt uitgesproken: dat de oude meesters een feilloos oog hadden voor het lijden van de mens. Dat voltrekt zich, zo valt op hun schilderijen te lezen, in de alledaagse werkelijkheid, aan de rand, in het voorbijgaan, in een rommelige uithoek 'waar de honden doorgaan met hun hondse leven en het paard/ van de beul zijn onschuldige billen wrijft tegen een boom'.

Geen betere illustratie van deze wijsheid dan Breughels 'Val van Icarus', waar we rechts in de hoek nog net de twee benen van de neergestorte Icarus in zee zien verdwijnen. Maar er is geen hond die het ziet: de boer ploegt voort, de herder blijft naar de hemel turen, de visser werpt nog eens zijn hengeltje uit en het schip, 'het schip moest ergens naar toe en zeilde rustig door.' Dit is een prachtig gedicht, maar een uitgesproken Barbarber-gedicht is het niet. Daarvoor is het om te beginnen te bekend en Barbarber heeft nu juist een voorkeur voor het onbekende en het ongewone. Voor een typisch Barbarber-gedicht is het bovendien te klassiek, te rustig van toon, te wijs en te weinig grillig. Auden behoort alleen al vanwege zijn status niet tot de familie van Barbarberdichters; behalve dit gedicht is er dan ook niets van zijn hand in het tijdschrift terug te vinden.

Uithoek

Toch verscheen 'Musee des Beaux Arts' al in december 1961 in Barbarber, en toch is het nu nog steeds gehandhaafd, onopvallend, zonder toelichting, in een uithoek van dit Alfabet. Het is in overeenstemming met de strekking ervan om te vermoeden dat zich juist in dit meest onbarbarberiaanse gedicht een gedachte bevindt die essentieel is voor de geest van het tijdschrift. Bernlef c.s. moeten getroffen zijn geweest door de gedachte dat men altijd met open ogen voorbijgaat aan wat werkelijk van belang is het is de veronderstelling waar het blad zijn bestaan aan te danken heeft. En ook moeten zij getroffen zijn geweest door de constatering van Auden dat dat blijkbaar altijd al zo was: in de middeleeuwse wereld van Breughel, maar ook in de antieke mythologie waarnaar zijn schilderij verwijst. En zij moeten vervolgens getroffen zijn geweest door de nuchtere, bijna prozaische toon en al evenzeer door het stellige karakter ervan: lijden wordt over het hoofd gezien. Veel van de bijdragen aan Barbarber gaan van vergelijkbare stellingen of veronderstellingen uit, zonder ze overigens al te hardnekkig te willen bewijzen. Het is een blad voor nieuwsgierige essayisten, eerder dan voor betweterige betogers. En er valt wel wat voor te zeggen om de bekende Barbarber-leus 'het blad dat nooit richt, maar altijd raak schiet' om te draaien: Barbarber is even goed het blad dat voortdurend richt, maar zich niet zo bekommert om het treffen van de roos.

Dit is een van de aardige kanten van dit alfabet: het kan overal opengeslagen worden, en er vallen al snel allerlei lijnen te trekken. Daar is om te beginnen de intense aandacht voor de dagelijkse werkelijkheid, die niet beter gedemonstreerd kan worden dan door het langste lemma van deze encyclopedie: de ruim twintig pagina's tellende beschrijving van wat zich op 17 oktober 1961 om 3 uur 47 in de middag op de tafel van Daniel Spoerri bevond minutieus en dus meeslepend proza. Een vergelijkbare onderneming is het levenswerk van de schrijver Bonavena, waarover Borges in een verhaal vertelt: een zesdelige romancyclus over wat er zoal voorvalt op slechts een hoek van de vurehouten werktafel van de schrijver. Onder het lemma 'Bureau' vinden we een tekst van Elizabeth Bishop: opnieuw een gedetailleerde beschrijving van het werkblad en de attributen van een schrijver, maar nu gezien door de ogen van een lilliputter.

Het zijn zulke ideeen (Barbarber noemde zichzelf een tijdschrift voor teksten, maar het was natuurlijk een tijdschrift voor ideeen) die ons aan het denken zetten over zoiets als de werkelijkheid. Die bestaat alleen maar als we een zekere oppervlakkigheid of afstandelijkheid in acht nemen, want wie er zich letterlijk in verdiept komt als vanzelf weer op het terrein van de verbeelding terecht. Het gewone wordt ongewoon en het alledaagse wordt bijzonder als je het onder een microscoop legt. Het zal wel niet zonder reden zijn dat dit alfabet opent met een stuk van K. Schippers over de vervreemdende werking van een elektronenmicroscoop. Hij vertelt hoe hij onder zijn ogen een klein kunstig gesneden olifantje vele malen vergroot ziet worden. De microscoop 'zoomt' als het ware op het minuscule beestje 'in', met als curieus gevolg dat het onherkenbaar wordt. Maar tegelijk laten de uitvergrotingen van de huid structuren zien die het formaat van een echte olifant weer te boven gaan: 'De eens zo gladde huid van de olifant bestaat uit bergen, dalen, valleien, horsten, slenken en druipsteengrotten met de scherpste uitsteeksels.'

Goede verstaander

Wie zich afvraagt wat we nu met zulke wetenschap aan moeten, zal zich ook wel afvragen wat we nu met Barbarber aan moeten. De goede verstaander zal ermee doen wat Schippers ermee deed: zich erover verbazen en zich verheugen over het feit dat je nu weet dat je doosje met olifantjes ook duizenden landschappen herbergt. Wie anders, intensiever, met een scheef oog of juist van een grote afstand naar de dingen kijkt, ziet structuren en patronen die je normaal niet ziet.

Je zou, daar geeft dit alfabet wel aanleiding toe, Barbarber kunnen zien als de speelse illustratie van wat de laatste jaren door de fractal-theorie en door de chaotica aangetoond lijkt te zijn: dat veel zogenaamde chaotische verschijnselen volgens een vast patroon verlopen, en dat kleine structuren terugkeren in grote en omgekeerd. Alles hangt af van het standpunt van de beschouwer en van zijn bereidheid om af te zien van de gebruikelijke dimensies. Het is een gedachte die in veel bijdragen terug te vinden is, en trouwens ook aanschouwelijk wordt gemaakt in de tekeningen van onder anderen Hans Scholze en Leo Vroman. Dit is een oud kwatrijntje van Jonathan Swift, dat hier nu verschijnt onder het lemma 'Fractal': So, Nat'ralists observe, a Flea Hath smaller Fleas that on him prey, And these have smaller Fleasto bite'em, And so proceed ad infinitum.

Maar je zou ook, en gelukkig geeft dit alfabet daar evenveel aanleiding toe, Barbarber kunnen zien als de hardnekkige voortzetting van een soort van denken dat al in de eerste nummers te vinden is. 'Als je goed om/ je heen kijkt/ zie je dat alles/ gekleurd is', dichtte Schippers in 1959, en deze naieve verwondering heeft de redacteuren nooit verlaten. De hele encyclopedische opzet, met heuse lemma's in een echte alfabetische volgorde, is natuurlijk maar een schijnstructuur. De lezer moet zelf zijn lijnen trekken door deze heterogene verzameling, en hij mag het trouwens ook laten. Het is er een beetje mee als met de vlieg die op donderdag 9 januari 1964 over pagina 19 van de Haagse Post liep, gadegeslagen door K. Schippers die op dat moment pagina 18 las en zag dat de vlieg een lijn langs de volgende letters aflegde: 'eno zwdldn hrge aot-teou enk ko en uiozmanms g o pen w peetua ft: ', om daarna weg te vliegen. 'Ik beschouw de gecreeerde tekst dan ook geenszins als een zinloze mededeling, maar als een misschien niet eerder opgemerkte realiteit.' Wie voor zulke meesterlijke observaties niet gevoelig is, zal het ook wel niet zijn voor de volgende, van Chr. J. van Geel, bij de kapper: Initialen lezen in de haren op de kapmantel.

Of voor de wetenschap, aangedragen door G. Brands, dat colporteurs in een portiek altijd eerst bij de bovenste etage aanbellen. Of voor het raadsel van de mieren die als levende deur dienst doen, uitgelegd door Jos Ruting. Of voor een biologisch verantwoorde beschrijving van de Chamaeleo brevicornis hilleniusi (met twee duidelijke achterhoofdsflappen en een hemipenis van 11 mm.), genoemd naar zijn ontdekker Dick Hillenius. Of voor de karakterisering van de appelvink door G. Brands: 'Voor zover ik weet, broedt hij niet in Soest, wat in beginsel echter heel goed mogelijk kan zijn.'

Volwassen

Barbarber heeft twee gezichten, die het meen ik altijd wel gehad heeft, maar nog niet eerder zo duidelijk. De speelse, geestige, schoolkrantachtige kant ervan met lijstjes, kranteberichten en onnutte wist-u-datjes is in dit alfabet wat naar de achtergrond verdwenen, ten gunste van wat ik nu maar even het meer volwassen gezicht noem: 'echte' gedichten, dichterlijke beschouwingen over de betrekkelijkheid van het begrip werkelijkheid en over de verhouding tussen werkelijkheid en literatuur. In overeenstemming daarmee is de reikwijdte vergroot: van een nuchter Hollands tijdschrift met Oud-West als centrum is het geworden tot een internationale bloemlezing uit het werk van verwante randfiguren. Erik Satie, Jacques Rigaud, Francis Ponge, Daniil Charms, Alberto Manguel en Gianni Guadalupi, Kurt Schwitters, Marianne Moore, Carl Frederik Reutersward, Lars Gustafsson en Raymond Radiguet, om maar enkelen te noemen, zijn hier ruim vertegenwoordigd.

Beide kanten houden elkaar mooi in evenwicht. Ik merkte althans dat ik na een aantal gevonden teksten, bizarre weetjes en tot gedicht gepromoveerde lijstjes wel weer een 'echt' literair lemma wilde lezen dat dan ook prompt volgde. Terwijl ik na een reeks beschaafde en literair verantwoorde bijdragen wel weer begon uit te zien naar wetenswaardigheden als de volgende: 'Iemand met een gewicht van 125 pond heeft voldoende zout in zijn lichaam voor tweehonderd eieren. Het bevat vet voor zeven stukken zeep, koolstof voor ca. 9000 potloden, fosfor voor 2200 lucifers, ijzer voor een tweeduims schroef, voldoende kalk om een kamer mee te witten, water om honderd bierflesjes mee te vullen en zwavel om vijf ratten mee te verdelgen.' Het is door deze twee gezichten dat dit alfabet niet de necrologie van een verdwenen tijdschrift is geworden, maar de plattegrond van een geestesgesteldheid die in geen enkel opzicht gedateerd is, die dwars door alle genres en gezindten gaat en die een einde maakt aan zulke verwarrende tegenstellingen als 'kunst' en 'werkelijkheid', 'proza' en 'poezie', 'traditioneel' en 'modernistisch'. Barbarber verenigt eigenschappen die je in ieder geval in de Nederlandse literatuur zelden verenigd ziet: het is licht, geestig, onbevangen, nieuwsgierig en monter. Het is een tijdschrift zonder moraal, zonder geloof (of het zou het geloof in de werkelijkheid moeten zijn) en zonder principe of het zou het principe van de omkering moeten zijn. De volgende regels zijn afkomstig uit Remco Camperts bekende gedicht 'Poezie is een daad... ': Voltaire had pokken, maargenas zichzelf door o.a. te drinken120 liter limonade: dat is poezie.

Ze hadden in Barbarber kunnen staan. Toen het gedicht voor de zoveelste keer in een bloemlezing was opgenomen, schreef Campert uit ergernis een tegenhanger, met regels als: Voltaire had pokken, maargenas zichzelf door o.

a. te drinken120 liter limonade: dat is een feit. Ze verschenen in 1965 in Barbarber, om 25 jaar later even vrolijk in een bloemlezing te worden opgenomen: in dit alfabet, onder het lemma 'Bloemlezing'.