Broer en Zus waren arm. Ze hadden maar een bed, ...

Broer en Zus waren arm. Ze hadden maar een bed, aten uit een kom. Wat ze bezaten, werd gedeeld: de gaten in hun strooien dak, de scheuren in hun laken en een kip die te moe en te mager was om een ei te leggen. Op een dag verzuchtte de jongen: had ik maar een kudde koeien en een kudde schapen. Hij had de wens nog maar net uitgesproken of hij stond midden in een kraal met aan de ene kant van de doornen haag een kudde koeien en aan de andere kant een kudde schapen. Alles was zijn eigendom. De broer liet zijn vee grazen in het vrije veld en deelde de melk en het vlees met zijn zus.

Onder de koeien bevond zich echter een koe die een welp van een leeuw had gebaard. Broer zei tegen Zus: 'Dit wordt een gevaarlijke dag. Ik moet naar de weidegronden om de leeuwenkoe en haar welp van de andere dieren te scheiden. Als je vanavond iemand aan de rechterkant van het pad ziet terugkeren dan ben ik het, loopt iemand aan de linkerkant dan ben ik het niet.' Broer liep naar de weidegronden en vond de leeuwenkoe vredig naast haar welp. Toen Broer de leeuwenkoe een touw om haar nek wilde binden, sprong de vaderleeuw vanachter een bosje naar voren en ritste Broers buik open. De leeuw trok zijn vel er af, stapte er in, en deed de kleren van de jongen aan en liep naar de hut om het meisje op te eten.

Het was avond en Zus stond in de deur om te kijken of haar broer al naar huis toe kwam. Een man liep aan de linkerkant van het pad en zwaaide houterig met zijn beide armen. Nu wist ze genoeg. Ze begreep dat haar broer door de leeuw was gegrepen. De leeuw stapte de hut binnen en Zus deed net of het haar broer was. 'Je zult wel moe zijn, broertje. Kom drink deze melk', zei ze. Ze schonk hem een beker en hij dronk. Toen slachtte ze een schaap en de leeuw at het vet. Ze braadde het vlees, de leeuw at alles op. Met volle maag kroop hij in bed en vroeg Zus naast hem te komen liggen. Hij sloeg zijn poot over haar schouders en sliep in. Zo kon ze nog beter zien dat hij haar echte broer niet was. Midden in de nacht kroop Zus voorzichtig onder de leeuwearm vandaan. Ze sloop het huis uit, deed de deur op slot en stak het strooien dak in brand. De leeuw werd pas wakker toen de vlammen al aan zijn bed likten. 'Als ik dat geweten had, had ik je meteen opgegeten', brulde hij woedend.

Zus riep: 'Geef me het hart van mijn broer en doe de deur open.'

De leeuw nam zijn eigen hart en gooide het naar buiten. Maar Zus zag dat het een leeuwehart was en wierp het in het vuur. 'Geef me het hart van mijn broer', riep ze. De leeuw gaf haar het hart van de broer en stierf in de vlammen.

Zus stopte het hart van haar broer in een kalebas en goot er melk op. Nadat ze evenveel tranen in de kalebas liet vallen, als er water in een mens zit, stond haar broer weer naast haar. Broer en zus gingen nooit meer uiteen.

Dit vermoedelijk al eeuwenoude verhaal uit Zuidwest Afrika is honderd jaar geleden door geleerde reizigers opgetekend en zoals alle andere Globe avonturen door mij vertaald en herschreven. Ook heb ik vaak verschillende verhalen bij elkaar gebracht en zo weer een nieuw verhaal verzonnen.