Archeologie kan niet zonder het spitwerk van de amateurs

HOUTEN, 6 juli Er is geen wetenschap waarin amateurs zo'n belangrijke rol spelen als in de archeologie. Zonder de belangeloze inspanningen van duizenden onbezoldigde krachten zou er zeer veel waardevol archeologisch materiaal verloren gaan. Zonder de amateurs zou het beeld dat de professionals van ons verleden samenstellen er heel wat anders hebben uitgezien. Vorige week werd een van deze liefhebbers belooond met een hoge onderscheiding. Leen de Keijzer (60), gemeente-ambtenaar uit het dorp Houten bij Utrecht, ontving uit handen van prins Bernhard een Zilveren Anjer, een cultuurprijs van het Prins Bernhardfonds.

Bij die gelegenheid prees onder anderen W.van Es, directeur van de Rijksdienst voor het Oudheidkundig Bodemonderzoek (ROB), het werk van De Keijzer, waardoor met name vindplaatsen in het zogeheten Kromme Rijn-gebied bekend zijn geworden. Deze oude rivier, die stroomde van Wijk bij Duurstede naar Katwijk, vormde de noordgrens van het Romeinse Rijk en is sindsdien een van de drukst bewoonde gebieden van de noordelijke Nederlanden gebleven.

Volgens Leen de Keijzer is de belangstelling voor geschiedenis en archeologie hem 'met de paplepel ingegoten'.

Tijdens de lange winteravonden vertelde zijn moeder hem namelijk verhalen ove rde geschiedenis van de streek. 'Het belangrijkste was echter het moment waarop ik als technisch ambtenaar in dienst kwam van de gemeente Houten', zegt De Keyzer. 'Daar kreeg ik te maken met allerlei bouwplannen en grondwerkzaamheden en daarom heb ik mij verder in de archeologie verdiept.'

Een van de eerste werkzaamheden waarbij hij betrokken raakte, was de opgraving van een Romeinse villa, in 1957 tijdens de reconstructie van het plein bij de Hervormde Kerk in Houten. 'De toenmalige burgemeester wist van mijn belangstelling, dus vroeg hij mij of ik deze opgraving wilde begeleiden. Het was voor mij een openbaring dat je geschiedenis zo direct kon benaderen, niet alleen uit een boekje, maar bijna alsof je rechtstreeks in contact staat met het verleden.' Vanaf dat moment besteedde De Keijzer elk vrij ogenblik aan de archeologische studie. Het resultaat van die ruim dertig jaar werk mag er wezen. Tientallen publicaties en meer dan honderd lezingen heeft De Keijzer inmiddels op zijn naam staan. De 'echte' wetenschap schat zijn werk zeer hoog. J. H. Dekker, hoogleraar archeologie in Nijmegen, droeg zijn monumentale geschiedenis van het Kromme Rijn-gebied bijvoorbeeld aan op De Keijzer, 'zonder wiens kennis en inzicht ik dit werk nooit had kunnen schrijven'. Leen de Keijzer zelf blijft bescheiden, want wanneer men hem vraagt hoe hij zijn plaats in de archeologie ziet, luidt het antwoord: 'Ik ben eigenlijk een voelspriet van de ROB. Ik kijk rond in mijn omgeving en lever het materiaal. Daarna doet de ROB het werk. Gelukkig laat het ROB je als amateur-archeoloog wel veel ruimte, zodat ik mijn hobby, want dat is het nog altijd, optimaal kan beleven.'

    • Joost Vermeulen