Ambacht 'fijnschilder' weer in de belangstelling

Zou het doe-het-zelven op z'n retour zijn? Die indruk dringt zich op aan de bezoeker van het Sikkens Schildersmuseum in 's-Gravenhage. Hier gaat de aandacht nu eens niet uitsluitend uit naar de produkten van de schilder. Z'n werkwijzen en technieken, z'n gereedschappen, grondstoffen en werkomgeving staan centraal. Niet het vak van de 'fijn-schilder' (de kunstenaar die schilderijen maakt) maar dat van de huis- en decoratieschilder, de ambachtsman. Niet dat oeverloos gezeur over vorm, inhoud, symboliek en diepere betekenis, maar gewoon prozaisch vakmanschap: hoe kregen ze 't voor elkaar? Het is een prachtige verzameling die Sikkens in de kelder van zijn Haagse vestiging exposeert. Het accent ligt niet op het eigen bedrijf. Sikkens-medewerker Cees Tromp, schilderszoon en zelf meesterschilder, begon in 1961 als particulier met verzamelen tot de verzamelwoede 'n tikje uit de hand is gelopen. Sikkens nam de collectie in 1981 over en het Haagse museum werd geboren.

Herinnert u zich de 'houten' bestelauto's van de Bijenkorf nog? De techniek van het naschilderen van hout- en marmermotieven op een simpele, goedkope ondergrond was in het verleden wijd verbreid. Schilders beschouwden het 'houten' en 'marmeren' als proeven van bekwaamheid. Je had speciale opleidingen en cursusboeken en je moest beschikken over speciaal gereedschap en het nodige geduld. De belangstelling daarvoor leeft weer op, niet alleen bij restaurateurs. Ook particulieren herontdekken de charme van zulk decoratiewerk.

Het hart van de pure technofiel bloeit open bij andere objecten: authentieke schilderswerkplaatsen, een koud-vernisfabriekje, verfbereidingsmachines, pigmentkasten. Pijnlijk schoon. Hoe smerig het schildersbedrijf en de verfbereiding wel waren komt zo niet echt uit de verf.

Het schildersmuseum is geen werkend museum. Het oude ambacht wordt er niet actief beoefend en in stand gehouden. Jammer, want veel muziekinstrumentenbouwers bijvoorbeeld betreuren dat ze niet kunnen beschikken over klassieke vernissoorten. Ze experimenteren zelf heel wat af om klassieke vernissen te fabriceren. Een moeilijke klus. Oude boeken geven recepten en bereidingswijzen, maar waar haal je de klassieke grondstoffen vandaan? Een restaurateur klaagt erover dat moderne verven veel te homogeen gemalen pigmenten bevatten. Die hebben een andere optische werking dan de op antieke wijze bereide pigmenten.

Op de Zaanse Schans huren twee molenaars, Sjors van Leeuwen en Piet Kempenaar, de verfwindmolen 'De Kat' om daar op de oorspronkelijke wijze verfhout en minerale pigmenten te malen. Verfhouten (fernambuk, campche, fustic, sandelhout en dergelijke) zijn belangrijk voor de plantaardige ververij van textiel en minerale pigmenten voor de verfbereiding. In de windmolen vind je een kapperij, twee stel kantstenen en zeef- en buulapparatuur; alles in werkende conditie en aangedreven door windkracht. 'Niets hebben ze opgeschreven, die oude molenaars', zegt Van Leeuwen. 'Steeds weer ontdek je pas bij het doen hoe het moet en hoe beslist niet'. Een onverwacht probleem is dat de meeste klassieke grondstoffen nog wel leverbaar zijn, maar alleen in partijen van op z'n minst een ton (gewicht). De gebruikers kopen 't maalgoed in onsjes of hooguit kilo's. Dat vergt dus flinke investeringen in aankoop en opslag van materialen. De plaatselijke linoleumfabriek helpt door een vaste afname van aanzienlijke hoeveelheden gemalen krijt de malerij rendabel te maken. Maar de 150.000 betalende bezoekers per jaar zijn onmisbaar om het bedrijfje te runnen.

Wie nog 'n 'echt' verffabriekje wil zien kan een bezoek brengen aan 'De Dubbelde Palmboom' in Delfshaven, waar een behoorlijk deel van voormalige bedrijfje van 'J. G. Sissingh, Rijtuiglakken en Scheepsverven' is neergezet.

Handboek voor de fijnschilder van begin deze eeuw.