Zij stalen het brood der paarden

In de zaak tegen directeur dr. Th. F. van de O. G. Heldringinrichtingen in Zetten, die Nederland al enkele jaren bezighoudt, is F. schuldig bevonden aan ontucht, aanranding en verkrachting en veroordeeld. Een tiental kilometers ten oosten van Zetten ligt het dorpje Neerbosch, in 1870 gespleten door het Maas-Waalkanaal en later opgeslokt door Nijmegen. In 1893 ontstond nationale beroering om de Weesinrichting Neerbosch door twee pamfletten tegen oprichter en directeur-penningmeester Johannes van 't Lindenhout (1836-1918). De voormalige koopvaardijkapitein Gerrit van Deth publiceerde in juni van dat jaar in eigen beheer het boekje De weesvader Van 't Lindenhout ontmaskerd of Onthullingen over de Weesinrichting te Neerbosch. Enkele maanden later volgt De Weesinrichting te Neerbosch. Vervolg en slot of De Weesvader Van 't Lindenhout ontmaskerd.

Van Deth verspreidde zijn pamfletten door geheel Nederland, stuurde ze alle kranten toe en adverteerde ervoor. Zijn boekjes schreef hij op basis van persoonlijke ervaringen. Zelf was hij genoodzaakt zijn twee kinderen in de Neerbossche Weesinrichting onder te brengen toen hij weduwnaar werd. De beide halfwezen, voor wie hij 200 gulden per jaar betaalde, kregen te weinig te eten en het zoontje werd om een onschuldig vergrijp mishandeld. Toen de vader zelf door ziekte was getroffen en de doktoren voor zijn leven vreesden, weigerde Van 't Lindenhout toestemming om de kinderen hun vader te laten bezoeken.

Onmiddellijk na zijn herstel nam Van Deth zijn kinderen uit de Weesinrichting en begon in februari 1893 aan zijn pamflet. Hij werkte hierbij samen met A. J.van Houten, een voormalige onderwijzer van het weeshuis. Van Deth en Van Houten beschuldigen Van 't Lindenhout en zijn vrouw van mishandeling en verwaarlozing van kinderen en indirect van moord.

De Weesinrichting, die de als evangelist werkzame boerenzoon Johannes van 't Lindenhout leidt, dateert van 1863. Naar het voorbeeld van de Brit George Muller wil Van 't Lindenhout een tehuis waar wezen gratis toegang hebben. Hij denkt dit te financieren door giften en legaten. Van 't Lindenhout is een idealist die ernaar streeft zijn pupillen, van beiderlei kunne, naast een godsdienstige opvoeding een vak te leren. Hij trekt vakmensen aan die de kinderen opleiden voor een ambacht of beroep. In de tijd dat Van Deth zijn aanklacht publiceert, lijkt de Weesinrichting door de voorspoedige groei tot een aantal van ongeveer 1100 kinderen binnen haar muren uit haar krachten gegroeid. Van Deth suggereert een astronomisch sterftecijfer van dertig procent per jaar.

Van een klein kind zou met een zware stok de ruggegraat gebroken zijn en een ander zou mede aan de gevolgen van mishandeling zijn overleden. De opzichters en onderwijzers zouden zich zelfs vergrijpen aan de kinderen. 'Onderwijzer Goes had de gewoonte zich te vergasten aan kleine meisjes zowel als aan de grooten.'

Daarbij zou Van 't Lindenhout zich stelselmatig verrijken met de contributies, legaten en donaties. De gelden gebruikte hij onder meer om een failliete zwager te helpen, reisjes naar Zwitserland en Italie te maken en zijn vrouw in dure kleren te steken. Intussen verhongerden de kinderen: 'Het voedsel is er zoo ellendig, dat de kinderen er geregeld het brood stalen, dat bestemd was voor de paarden der bezoekers.' Het eerste pamflet van Van Deth, uitgekomen op 1 juni 1893, brengt een landelijke discussie op gang. De kranten hebben geen eensluidend oordeel over Neerbosch en Van Deths aanklacht. Voormalige bewoners betwisten de juistheid van elkaars verhalen en spreken elkaar tegen. Het Algemeen Handelsblad gaat zelf op onderzoek uit en stelt vast dat huisvesting en hygiene in ieder geval te wensen overlaten. Op diverse vergaderingen, onder meer op 25 juni en 2 juli in respectievelijk Arnhem en Amsterdam, verklaren oud-wezen dat hun behandeling 'vrijwel overeenkomt met de beschrijving in de brochure'.

'Hulptroepen' van Van 't Lindenhout voeren een tegenoffensief en delen mee dat de wezenvergaderingen in kroegen en door socialisten worden gehouden.

Op 15 juli 1893 treedt een onafhankelijke commissie aan die de zaak gaat onderzoeken. Drieentwintig wijze mannen moeten zich onder voorzitterschap van Tweede-kamerlid W. H. de Beaufort over de kwestie buigen. Twee maanden verzamelen zij materiaal voor hun rapport. Het eerste slachtoffer wordt uiteindelijk... Van Deth, die voor belediging in geschrifte een boete van 25 gulden krijgt opgelegd. Begin november komt hij echter met een tweede brochure, die de commissie dwingt de zaak opnieuw te bekijken, dat wil zeggen, nieuwe getuigenissen te betrekken in de rapportage.

Drie onderwijzers van de Weesinrichting worden uiteindelijk wegens mishandeling veroordeeld. Voor het overige constateert de commissie wel wanbeheer en misstanden op het gebied van accomodatie en hygiene maar er volgen hiervoor geen veroordelingen. Het advies om de persoonlijke boekhouding en die van de weesinrichting te scheiden wordt opgevolgd. Aan Neerbosch zal het een en ander hebben gemankeerd maar doordat Van Deth en Van Houten het niet al te nauw namen met de waarheid, ondergroeven ze hun eigen aanklacht. Dat neemt niet weg dat veel van de beschreven misstanden destijds schering en inslag waren in weeshuizen en gezinnen.

Over de Weesinrichting in Neerbosch is dankzij de gedrevenheid van een woedende vader uitgebreid geschreven, maar zou het destijds veel beter zijn geweest in andere, particuliere instellingen? Van Deth erkent in zijn november-brochure dat er al veel veranderd en verbeterd is sinds hij in februari met zijn eerste pamflet begon. Misschien hadden zulke instellingen af en toe een dergelijk 'zetje' nodig, aangezien de sociale wetgeving nog in de kinderschoenen stond. Wezen bestaan niet meer, althans niet als maatschappelijke groep van belang. Op de plaats van de Weesinrichting zijn nu het Kinderdorp Neerbosch en het Van 't Lindenhoutmuseum gevestigd. In het Kinderdorp verblijven jongeren die door allerlei omstandigheden niet thuis kunnen wonen. Het museumpje wordt nu beheerd door de heer Van Regteren, die vertelt dat de ontslagen onderwijzer A. J.van Houten later heeft opgebiecht dat hij hele en halve leugens heeft verspreid en spijt had dat hij zich liet meeslepen door 'de ellendeling Van Deth'. Een oud-bewoonster van de Zettense inrichtingen vertelt mij echter dat twee van haar broers omstreeks 1900 op Neerbosch hebben gezeten en het daar zwaar hadden: 'Ze hadden altijd honger, daarom nam mijn moeder steevast boterhammen met kaas voor ze mee. Wij, meisjes van Zetten, gingen af en toe op bezoek in Neerbosch maar we mochten er nooit blijven eten omdat het eten er zeer slecht bekend stond.'

    • Lucas Ligtenberg
    • Verdwenen No 1